In 1996 werd de 500ste verjaardag van Menno Simons’ geboorte herdacht. Wie was toch deze bijzondere reformator die tot op heden navolgers heeft? Met dit artikel willen we een korte schets van het leven en denken van de vader van de mennonieten maken.
Hij werd in 1496 in het Friese dorp Witmarsum geboren en Minne gedoopt, Minne de zoon van Symen. Voorin de 16de eeuw waren het roerige tijden hier in de Nederlanden. Er was verloedering alom en velen zochten daarin de tijding van het komende eindgericht. Met name de teloorgang van de roomse kerk was wraakroepend.
Menno Simons kreeg een priesteropleiding in een naburige kloosterschool. Hij was 28 jaar toen hij in Pingjum tot vicaris werd benoemd. Enkele jaren voordien was Luther reeds met zijn hervorming van de kerk begonnen en ook in Friesland begonnen gemeenschappen te twijfelen aan de materiële heilsmiddelen van de roomse kerk. Ze begonnen zelfstandig de Bijbel te lezen en zochten naar de geestelijke eenheid met Christus in gebed en viering. Zo maakten ze zich stilaan los en stelden zich onafhankelijk op van de kerkelijke genademiddelen zoals hostie, wijwater en Olie en dergelijke.
Ook Menno begon het 'wonder' van de consecratie van de hostie in vraag te stellen en merkte al gauw dat de Bijbel enkel naar de innerlijke eenheid met Christus wees en dat het deze innerlijke eenheid was welke het ware Lichaam van Christus vormde. Dit Lichaam werd dus door de Geest tot stand gebracht en niet door een stukje geconsacreerd brood. Het brood bleef gewoon brood en het werd niet op een hocus-pocus-achtige wijze omgevormd tot het lichaam van Christus waarna het vervolgens doorgeslikt moest worden; neen, het was de gelovige die werd omgevormd door de Geest die in het geloof werkzaam was. Het sacrament van brood en wijn was enkel instrument van de Geest.
Maar niet enkel het kerkelijk (roomse) sacrament van de communie stelde hij in vraag, er hadden hem ook berichten ter ore gekomen van doperse bewegingen. Het betrof groepen christenen die de kinderdoop verwierpen en zich door middel van 'wederdoop' van de roomse kerk losmaakten, omdat naar hun mening de hervorming van de kerk te langzaam ging. Ze stonden onder leiding van Duitse handelaar en lekenprediker Melchior Hoffman. Ze werden hard en bitter vervolgd.
In 1543 werd Menno Simons tot pastoor in zijn geboortedorp Witmarsum benoemd. Datzelfde jaar preekten enkele wederdopers te Friesland. Ze brachten veel mensen op de been. En de beweging escaleerde. In de Westfaalse stad Munster verzamelden zich grote groepen wederdopers die voor de vervolgingen op de vlucht waren. Onder leiding van Jan van Leiden belegerden ze de stad in het voorjaar van 1534 en riepen haar na de inname uit tot het Nieuwe Jeruzalem. Ze hielden stand tot in de zomer van 1535. Ook overal elders in West-Europa was het geweld tot een hoogtepunt gekomen. Zowel te Amsterdam als te Gent en Antwerpen, Leeuwarden en andere Europese steden knetterden de brandstapels en stierven vele dopers aan de gevolgen van martelingen. Ook het Munsterse avontuur doofde in een bad van bloed en tranen.
Menno was door zijn sympathie voor de oprechte boetvaardige vroomheid van de dopers, die hij uit zijn nabije omgeving kende (zijn broer was gesneuveld bij de inname van een klooster te Bolsward), in een gewetensconflict beland. Door zijn Bijbelse 'evangelische' prediking had hij zijn parochianen immers tot hervormingsgezindheid verleid. Hij kon zich nog 9 maanden in zijn parochie handhaven maar in 1536 verliet hij de decadente moederkerk en ging op zoek naar de maagdelijke gemeenschap der heiligen.
Hij trok vervolgens een jaar rond en legde zich toe op de studie en het schrijven van artikelen. Zoals vele evangelische priesters trouwde hij met een begijntje uit zijn voormalige parochie. In zijn geschriften keerde hij zich tegen de oproerige elementen in de doperse beweging. Men kwam hem echter gauw opzoeken en hij werd tot oudste in de gemeente te Oldersum bevestigd. In deze Oost-Friese stadgenoten de dopers de bescherming van de stadhouder. In de periode tussen 1537 en 1544 verblijft hij aldaar en schrijft er zijn voornaamste werken.
...het geloof en de gemeente opnieuw en alleen op bijbelse gronden funderen, dit in navolging van Christus en de discipelen. Hij beklemtoonde de onlosmakelijke samenhang tussen een innerlijke boetvaardigheid en een uiterlijk hoogstaand zedelijke leven. Deze ware verootmoediging en wedergeboorte zijn volgens Menno Simons bepalend voor de echtheid van het geloof, de prediking, het Avondmaal en de doop. Geweld wees hij radicaal af Ook distantieerde hij zich van de zuivere spirituallisten die enkel de innerlijke verandering voorstonden en aan de uiterlijke gelovige praktijk minder belang hechtten. Zo bleven velen in de moederkerk ‘veinzen'. In de doperse gemeente rondom Menno hanteerde men de evangelische discipline of tucht. Afwijkend gedrag of onbekeerlijkheid betekenden uitsluiting van het Avondmaal of verbanning uit de gemeente
Tussen 1544 en 1546 verbleef hij in het Rijnland en Keulen waar vele doperse gemeenten ontstonden. Vandaar vertrok hij naar Lübeck. Daar verbleef hij tot 1555. In die periode ontstonden spanningen tussen de leiders van de doperse beweging. Menno's rigoureuze tuchtpraktijk werd gelaakt. Velen werden uitgestoten en Menno Simons bleef schrijven en onderzoek doen naar de juiste Bijbelse benadering van het tuchtprincipe. Hij kon echter de scheuringen niet meer tegenhouden.
Zijn laatste zeven levensjaren verbleef hij op een landgoed te Oldeslo, dat is tussen Lübeck en Hamburg, als gast van een Hamburgs edelman die veel sympathie koesterde voor Menno's hervormingsijver. Hij verkeerde echter in een steeds verslechterende lichamelijke conditie. De doperse beweging verstrakte steeds meer. Tegen zijn zin in verdedigde hij de harde lijn. Hij werd uiteindelijk zelf met de ban bedreigd. Tot op zijn sterfbed heeft hij van de concessies die hij heeft gedaan spijt gehad.
Op 13 januari 1561 stierf hij, 25 jaar nadat hij uit 'Babel' was getrokken stapte hij het hemelse Jeruzalem binnen.
Een afstand van 500 jaar overbruggen is niet eenvoudig. De context van de hervorming Friesland, Groningen en het Rijnland is voor ons niet meer te reconstrueren. Vele studies zijn daar dan ook over verschenen. De laatste jaren vooral in Amerika aangezien de mennonieten aldaar nu de meeste aanhangers kennen. Men zoekt in deze studies naar allerlei psychologische en sociale redenen om zijn leer te verklaren. Weinigen houden echter rekening met de specifieke godsdienstbeleving aan het eind van de middeleeuwen. Deze was namelijk gekenmerkt door een uitgesproken gericht zijn op de eindtijd en het komende gericht. De katholieke kerk beschikte over de heilsmiddelen als een bankier over een lening zodat de greep op de gelovigen nagenoeg volledig was. Door middel van een loodzwaar juk van zonden werden de gelovigen in het gareel gehouden. Maarten Luther gooide als eerste de boeien af door te stellen dat de Bijbel voorschreef enkel te vertrouwen op het verzoenend sterven van Jezus. Hij maakte daardoor een eind aan de geldhandel met heilsmiddelen, relativeerde de werking van de sacramenten zonder geloof in Christus, met andere woorden: hij ondergraafde de macht van de priesters en predikte de vrijheid in Christus. Dit betekende voor Menno Simons een levenslang dankbaar en boetvaardig leven, dit wil zeggen: steeds opnieuw bereid te zijn uzelf onder Christus te plaatsen. Dit doen enkel diegenen die wedergeboren zijn. Zij vergieten geen bloed, zweren noch vloeken, zijn weerloos en liegen niet en leven eenvoudig, deugdzaam en oprecht in directe gehoorzaamheid aan God. Dit moest men durven tonen en daar moest ook op toegezien worden.
Zo kon hij onmogelijk de overheid als christelijk herkennen. Zij waren het toch die andersdenkenden vervolgden, ketters verbrandden en bloedbaden aanrichtten. Doch met zijn evangelische geweldloosheid richtte hij zich ook tegen zijn Munsterse geloofsgenoten die met strijd en geweld God een handje wilden helpen met Zijn Laatste Oordeel. Menno Simons legde de nadruk op de bereidheid om te lijden en af te zien van geweld met Christus als voorbeeld.
Christus centraal stellen in het dagelijks leven en steeds opnieuw van de Schrift en baar boodschap durven getuigen, daartoe roept Menno Simons ons op. Hij ontmaskerde op deze wijze het schijnchristendom van zijn tijd, maar ook vandaag blijkt leven en leer, geloof en ethiek onlosmakelijk met elkaar verbonden. Vrijheid zonder normen is als een rivier zonder bedding. De gelovige wordt juist bevrijd door de liefdevolle verbondenheid met zijn Heer en zijn naaste.
Menno Simons' boodschap dwingt ons tot herbezinning over de Bijbelse grondslagen van geloof en kerk. We kunnen van de mennonitische traditie leren dat de kerk altijd een zendingsbeweging is, ook in de eigen omgeving. Het lidmaatschap van de christelijke gemeente is geen zaak van erfelijkheid, maar van tot nieuw inzicht gekomen te zijn. De voortgang van de gemeente hangt niet af van productieve echtparen maar van de werkkracht van haar getuigenis. Zo wezen Menno en de zijnen de kinderdoop af als zijnde geen alternatief voor de listige wereld. Maar de getuigenis is waardeloos als de levensstijl niet aan de getuigenis beantwoordt. Het spreken van de gemeente staat niet los van haar daden.
De daden van de kerk zullen in de toekomst zeker een prioriteit moeten worden. Nu de christelijke gemeente stilaan een minderheid is geworden wordt haar roeping steeds duidelijker, namelijk: een nieuwe samenleving zijn, die getuigt van geloof, hoop en liefde in dienst van God en de naaste.
Hier zou Menno mogelijk ‘Amen' op gezegd hebben. Wij doen het in elk geval 500 jaar later.
Bron: Johan Temmerman - Protestants Nieuws: Juli-Augustus 1996.
Franstalige versie: protestanet.be