De predikantszoon Vincent van Gogh wordt geboren te Groot-Zundert, een jaar na het overlijden van een doodgeboren Vincent waarvan hij zich altijd de overweldigen zal voelen. Van 1869 tot 1876 is hij bediende bij Goupil en Co, een belangrijke kunsthandel. Hij werkt vervolgens als hulp-onderwijzer in Engeland en daarna als hulp-bibliothecaris te Dordrecht. In 1878 wenst hij predikant te worden en bereidt, echter tevergeefs, het ingangsexamen voor de Theologische Faculteit van Amsterdam voor. Hetzelfde jaar volgt hij een opleiding aan de Vlaamse Opleidingsschool te Brussel. Het Evangelisatiecomité belast hem met een opdracht te Wasmes waar hij Ds. Bonte helpt. In 1879, deelt hij de ellende van de arbeiders, neemt hij deel aan een staking en verzorgt hij de gewonden na een mijngasontploffing. Niettemin weigert het comité hem opnieuw in dienst te nemen omdat zijn ijver buitensporig gevonden wordt. Vincent van Gogh. maakt veel schetsen van mijnwerkers en geeft ervan aan Ds. Van der Waeyen Pieterszen, zelf ook kunstschilder, die hem aanmoedigt om verder te tekenen. Hij staat hem ook toe voort te gaan met het helpen van Ds. Edouard Joseph Franck te Cuesmes. Vanaf dat moment voelt V. G. zich kunstenaar: van 1880 tot 1881 studeert hij tekenen te Brussel waarna hij terug bij zijn ouders gaat wonen tot 1885. Hij tekent werklui en boeren en maakt tevergeefs zijn nichtje het hof. In november 1881, werkt hij in Den Haag met de schilder Antoon Mauve en begint landschappen en arbeiders te schilderen. Hij gaat samenwonen met een prostituee en komt in conflict met zijn familie. Theo, zijn broer, met wie hij een briefwisseling onderhoudt, werkt nu bij Goupil en Co te Parijs. Hij stelt voor Vincent van Gogh financieel te steunen in ruil voor zijn artistieke producten. Vincent van Gogh neemt het aanbod aan. In 1885, verlaat hij Nederland om zich in te schrijven aan de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen. Tussen 1886 en 1888 bezoekt hij, samen met Theo, in Parijs de avant-garde schilders en schildert impressionistische landschappen. Vertrouwd met het impressionisme en met het pointillisme, ontwerpt hij in 1887 streepjestechniek. Omdat samenleven met Theo moeilijk wordt, vertrekt Vincent van Gogh naar Arles om er een gemeenschap van kunstenaars op te richten. Hij blijft er tussen 1888 en 1889. Beïnvloed door Japanse gravures, vlammen zijn schilderijen van zuivere naast elkaar geplaatste kleuren en alsmaar zwaardere streken. In oktober 1888 komt Gauguin in Arles aan. Bij een twist snijdt Vincent van Gogh zijn eigen oorlel af en wordt in het ziekenhuis opgenomen. Gesteund door Ds. Salles, besluit hij in het asiel van Saint-Rémy-de- Provence te gaan wonen. Hij wordt peetoom van Vincent, de zoon van Theo en vestigt zich in mei 1890 te Auvers-sur-Oise. Verzorgd door doktor Gachet, schildert V. G. er bewogen doeken tot aan zijn zelfmoord op 29 juli 1890.
Bron: Béatrice Denuit - Van Leopold I tot Jean Rey
Geroepen tot evangelist van de Zendingskerk
Vincent van Gogh heeft in zijn aanloop naar het schilderschap lange tijd gemeend dat zijn roeping in de kerk lag. In 1877 (hij is 24 jaar) verhuisde hij naar Amsterdam om theologie te gaan studeren. Reeds in juli 1878 brak hij zijn studie echter af. Hij hoopte met een eenvoudiger opleiding zijn doel te bereiken. In augustus 1878 arriveerde hij in Brussel (Laken) om er lessen te volgen bij aan de Vlaamse Opleidingsschool. Meester Dirk Bokma zwaaide er de scepter. Op deze school (gesticht in 1875) wilde men Vlaamse jongelingen opleiden tot evangelist voor Vlaanderen om van het stigma ‘Potestants = Hollands = on-Vlaams' af te geraken. Vincent kwam dus eigenlijk niet in aanmerking, maar mocht toch 3 maanden op proef lessen volgen. Hij werd niet officieel in de registers ingeschreven, maar woonde de lessen bij als ‘gast'.
Uit deze periode zijn er enkel getuigenissen uit interviews met J. Chrispeels, medeleerling van Vincent. Hij vertelde dat Vincent de lessen slecht volgde alsof hij het praktische nut er niet van inzag. Ook kwam hij nogal rond voor zijn mening uit. Op de vraag of een bepaald woord in de ‘nominatief' of de ‘accusatief' stond moet hij geantwoord hebben: Och meester, wat kan mij dat schelen ! Achteraf bood hij voor al te grote affronten zijn excuses vaak met een bloemetje aan. Een eveneens zeer bekende anecdote is dat hij niet tevreden was met de uitleg van het franse woord ‘falaise' en naar het bord liep om er ééntje (= steile rotskust) te tekenen. Hij werd teruggestuurd, maar nam na de les het krijtje en begon toch te tekenen. Toen één van zijn medeleerlingen hem daarop aan de jas trok "keerde hij zich om met een gelaat dat ik nooit zal vergeten en gaf den plager zulk een vuistslag, dat deze er genoeg van had. O ! dat van verontwaardiging en van toorn ziedende gelaat !" Ook bekend is dat Vincent zichzelf strafte na afloop van zulk soort - in zijn en andermans ogen - onchristelijk gedrag middels zelfopgelegde boetedoeningen, zoals slapen op de deurmat, in plaats van in bed.
Na de 3 maanden proeftijd werd hij niet tot de eigenlijke studie toegelaten. Hij schrijft erover in een brief gedateerd 15/11/1878 (brief nr. 126) aan zijn broer Theo:
"De drie maanden proeftijd door de Heeren De Jong en Ds. Pietersen gesteld, is welhaast verstreken."
om enkele dagen later in een P.S. te melden hoe de beoordeling is uitgevallen. Ds. De Jonge en Meester Bokma hebben met hem gesproken en gezegd:
"dat er geen gelegenheid [is] om op de school te zijn op de zelfde voorwaarden als zij aan geboren Vlamingen geven, ik kan lessen bijwonen, desnoods kosteloos - maar dit is het enige voorrecht - ik zou dus om te kunnen blijven meer geldelijke middelen moeten hebben dan die waarover ik beschikken kan, want die zijn geene"
Vincent laat zich door deze afwijzing echter niet uit het veld slaan en vertrekt in de winter van 1878 op eigen gelegenheid naar de Borinage. Hij assisteert de bijbelcolporteur Théodore Vander Haeghen, die in Pâturages actief is. Zijn vader schrijft in december 1878 een aanbevelingsbrief naar het Evangelisatie-comité dat hem - hoewel dus zonder opleiding - op 1/2/1879 tijdelijk aanstelt in Petit-Wasmes, waar een kleine protestantse gemeente gesticht was. De proeftijd duurde 6 maanden. Hij sprak samenkomsten toe (bijbellezingen) en legde huisbezoeken af. Hij verloor echter - ondanks zijn toewijding en enthousiasme - langzamerhand zijn toehoorders. De jaarrapporten uit die tijd bestaan nog, met opgave van het maandtractement dat de jongeman kreeg, maar eveneens met vermelding van het gestadig teruglopend aantal toehoorders die naar hem kwamen luisteren.
Vincent identificeerde zich zozeer met de mijnwerkers, dat hij niet alleen ‘bovengronds' met hen wilde samenleven, maar ‘één' met hen wilde worden (zoals Christus, meende hij). Hij kleedde zich als hen en daalde met hen af in de put: prêtre-ouvrier avant la lettre. Noch zijn kerkelijke oversten noch de mijnwerkers konden deze handelswijze appreciëren. Na 6 maanden werd zijn activiteit door de kerkelijke autoriteiten negatief geëvalueerd en kreeg hij het advies een ander beroep te kiezen. Nu begon voor Vincent het pas echt. Want nu was hij echt arm en kon hij nog meer ‘lijden om Christus 'wil'. Hij meende zich volledig met de mijnwerkers te moeten identificeren. Zonder middelen van bestaan en ook zonder een beroep te doen op zijn familie, zette hij zijn evangelisatiewerk voort. Pas in oktober kan zijn broer Theo het contact met Vincent weer herstellen.
Ook uit deze periode zijn er enkele anecdotes overgeleverd bij monde van J. Chrispeels. Zo moet Vincent op een zondagavond totaal verwaarloosd en vervuild in Brussel zijn aangekomen bij de familie Otto Geerling. De dochter Jeanne (later de echtgenote van J. Chrispeels) opende de deur, schreeuwde « Papa ! » en vloog met een gil terug. Maar hij werd vriendelijk ontvangen, kreeg in de keuken eten en voor een goed nachtlogies werd gezorgd. In diezelfde tijd deed Chrispeels zijn militaire dienst in Mons: Tijdens de rustpauze op het excercitieveld werd hem meegedeeld, dat iemand hem kwam opzoeken. Het was Vincent in zonderlinge kleding met een grote map tekeningen onder zijn arm, komend van Wasmes. In 1879 bezocht hij ook nog ds. Van der Waeyen Pieterszen, toen predikant te Mechelen.. Deze predikant was niet alleen mede-oprichter en lid van het bestuur van de Vlaamse Opleidingsschool, maar zelf ook kunstschilder. Met hem heeft Van Gogh altijd een goede band gehad. In een brief aan zijn broer op 5-8-1879 schreef hij, dat hij nogmaals te Brussel, Maria-Horebeke en Doornik was geweest en speciaal op het atelier van Pieterszen, die intussen predikant van de geuzen-enclave Maria Horebeke was geworden. In december 1880 was hij weer terug in Brussel. Hij zou toen eindelijk zijn echte roeping vinden, nl. om met verf en penseel uit te drukken wat in hem leefde. Na een kort verblijf in Nuenen, ging Vincent naar Antwerpen en vandaar naar Parijs. Emile Zola, schrijver van het mijnwerkersepos Germinal, die voor de documentatie vijf weken in de Borinage heeft doorgebracht getuigt dat de 'gueules noires' (zwarte smoelen) hem hebben verteld van een evangelist die als een soort Christus in hun midden had geleefd....
bronnen:
Bron: Dick Wursten
Franstalige versie: protestanet.be