Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 34 van het kerkelijk jaar
Genesis 16 • Galaten 4,21-31 •
Van het verhaal van Abraham, Sara en Hagar zou men makkelijk een boeiende film kunnen maken. Het gaat eigenlijk om een klassiek driehoeksgeval, één man en twee vrouwen. Iedere vrouw probeert op haar eigen manier de gunst van Abraham te winnen. Zij doet dat voor zichzelf, en tegelijk met de bedoeling de andere vrouw te overtroeven. De twee vrouwen zijn jaloers op mekaar en kunnen elkaar niet luchten. Abraham van zijn kant, weet eigenlijk niet goed hoe hij een dergelijke situatie moet aanpakken. Hij laat zich min of meer door Sara op sleeptouw nemen. Sara is inderdaad de motor van het verhaal. Een kind krijgen en zo voor nakomelingschap zorgen, is haar grote bekommernis. Zij is diep gekwetst in haar vrouw zijn, daar zij maar niet zwanger wordt. Uit ongeduld, en ook uit ongeloof jegens God en zijn belofte van nageslacht, neemt zijzelf het initiatief.
Voor de moderne lezer, en vooral voor het kerklid dat bijbels-zedelijk door het leven wil gaan, geeft ons verhaal een echt morele aanstoot. Sara beschikt inderdaad over Hagar, zonder de mening van de jonge vrouw te vragen. Zij behandelt haar slavin niet humaan. Daarenboven wil zij zich ook nog het komende kind toeëigenen, en doen alsof het van haar is. Abraham van zijn kant is al niet veel beter. Hij verbreekt de huwelijkstrouw jegens Sara, met haar eigen slavin. Hoe moet men deze attitudes verstaan?
Door de huidige kennis van de oude beschavingen kan men een aantal elementen historisch verklaren. Slaven hadden in de culturen van het Midden-Oosten wel bepaalde rechten, maar zij bleven slaven. Hun eigenaar of eigenares kon over hen beschikken. Zij waren geen eigen zelfstandige personen. Het lichaam van een slavin kon zo in feite het lichaam van haar meesteres worden. De kleitabletten gevonden in Nuzu (of Nuzi), dat ten oosten van de Tigris lag, juist bezuiden de Kleine Zab, kunnen ons informeren. Deze documenten dateren uit de 15e en 14e eeuw v.Chr. en omvatten onder meer veel contracten. Ook huwelijkscontracten, waarin staat dat indien de echtgenote kinderloos blijft, zij aan haar man een slavin mag leveren om nakomelingschap te verwerven. Er staat ook in de teksten dat de echtgenote achteraf de kinderen van de slavin en hun moeder niet weg mag jagen. In het bijbelverhaal gaat Sara, wat dit laatste betreft, duidelijk in de fout, eerst met de zwangere Hagar, en later met Hagar en de jonge Ismaël (Genesis 21,10). Abraham is eerst niet akkoord, maar God weet hem nadien te overtuigen om Sara te volgen (Genesis 21,11v). De beroemde oudere wetten van koning Hammurapi van Babel (18e eeuw v.Chr.) behandelen dezelfde materie in de artikels 145-147. Ook daar mag de kinderloze echtgenote een concubine aan haar man geven. Wanneer deze slavin dan kinderen heeft gebaard, mag haar meesteres haar, in geval van rivaliteit, niet meer verkopen. Zij verblijft dan opnieuw bij de slavinnen. Ook hier wordt de bedoelde slavin duidelijk beschermd door de wet. Men kan besluiten dat globaal genomen het gebeuren met Hagar volgens de normen van die tijd aanvaardbaar is, maar dat het detail van het wegzenden allerminst correct is.
Als moderne mensen mogen wij niet uit de hoogte neerzien op deze oude, zogezegd primitieve, gebruiken. Wij kennen in onze tijd het verschijnsel van de draagmoeder, dat enigszins op hetzelfde neerkomt. Een al dan niet gehuwde vrouw, die geen kinderen kan krijgen, of die om een of andere reden er zelf geen ter wereld wil brengen, kan een draagmoeder zoeken. In onze uitermate prestatiegerichte en competitieve maatschappij gebeurt het dat een vrouw met een topfunctie wel kinderen wil, maar niet de tijd heeft voor een zwangerschap. De draagmoeder levert haar dan een lichaam, dat een tijd het hare zal vervangen. Na kunstmatige inseminatie, of overplanting van een bevruchte eicel, zal de gewillige vrouw het kind dragen voor de andere. Na de geboorte gebeurt het echter wel eens dat de draagmoeder het kind niet wil afstaan, of ontstaan er andere problemen die dikwijls tot processen leiden. Vandaar dat men aanraadt, eer men aan zoiets begint, voor een waterdicht contract met de draagmoeder te zorgen. Men ziet, eigenlijk is er niet zoveel nieuws onder de zon.
Maar de morele aanstoot van ons verhaal, zou ons bijna de echte bedoeling van het gedeelte over het hoofd doen zien. Er zit namelijk wel degelijk een aanstoot in de tekst, maar deze verbergt zich elders. Om de electrische schok van dit schandaal goed te voelen, zou men de volgende vergelijking kunnen maken. Stel u voor dat de premier van Israël, Bibi Netanjahu, gehuwd is, maar dat zijn echtgenote geen kinderen kan krijgen. Wat doet Bibi? Hij begeeft zich naar Egypte en gaat er een tweede huwelijk aan met de dochter van president Moubarac van Egypte! Het wordt dus een huwelijk tussen de twee aartsvijanden Israël en Egypte. Niets meer en niets minder dan dat. De Israëlische vrouw van Bibi moet gered worden door een Egyptische lady. Geestelijk gesproken is Egypte niet alleen het land van de farao en de slavernij, maar ook het land van de afgoderij, waar men goden vereert die er als dieren uitzien, of zelfs als een dode (Osiris). Dit is de echte aanstoot van onze lezing uit de Hebreeuwse bijbel.
Wanneer wij nog eens naar joodse verhalen luisteren (1) dan valt het op dat zij deze shock juist willen wegnemen. Zij weten dus precies waar het schoentje wringt. Stel u voor, de grootste der aartsvaders, Abraham, die een Egyptische huwt, om het volk Israël te doen ontstaan. Sommige legenden vertellen dat Hagar een prinses was, een dochter van de farao. Toen de farao verliefd geworden was op de schone Sara die met Abraham in Egypte verbleef, gaf hij haar een van zijn dochters als dienares (vergelijk Genesis 12,10-20). Men ziet, zo wordt Hagar tegelijk de beste der heidenen, en toch een ondergeschikte van Sara. Een ander verhaal gaat nog verder met de bedoeling Hagar voor joden aanvaardbaar te maken, en de aanstoot van de bijbeltekst weg te nemen. Het vertelt dat Hagar goed joods opgevoed werd door Sara, en een soort geestelijke dochter van haar werd. Moet men hierbij denken dat de Egyptische een proseliet geworden was (vergelijk Genesis 16,13)? Of gaat dit te ver? Sara maakte haar in ieder geval tot vrije vrouw, want een volwaardig huwelijk met een slavin was onmogelijk. Alleen vrije mensen kunnen hun instemming geven, wat onontbeerlijk is voor een echt huwelijk. In de legenden wordt Hagar zo een volwaardige en respectabele tweede echtgenote van de aartsvader.
Deze tweede aanstoot, is meteen ook de boodschap van het verhaal. De geschiedenis wil het immers hebben over de verhouding van de beide vrouwen tot Abraham en vooral tot God zelf. De vrouwen vertegenwoordigen twee lijnen die iets te maken hebben met de aartsvader, maar in het bijzonder met God als de heer van de geschiedenis der mensheid. De ene lijn zal lopen van Abraham over Hagar naar Ismaël, en verder naar de Arabieren en de islam. De andere lijn, die even later zichtbaar wordt, zal lopen van Abraham over Sara naar Isaak, en zo naar het volk Israël en het jodendom. Het gaat over twee lijnen die ontspringen bij de ene Abraham en voeren tot twee godsdiensten, die te maken hebben met de God der Schriften. De vraag blijft hierbij hoe men over die verschillende lijnen moet denken. Een zeer actueel en netelig probleem.
Wanneer men zich houdt aan de visie van de Hebreeuwse bijbel - de koran zal later de zaken anders poneren - dan moet men ongetwijfeld in de eerste plaats vaststellen dat de hoofdlijn over Sara en het jodendom loopt. Steeds weer wordt deze lijn centraal gesteld. Dit heeft ten diepste te maken met Gods uitverkiezing van het volk Israël, uit alle volkeren van de wereld. Met dat volk sluit en vernieuwt hij zijn verbond. Deze keuze van godswege valt verder niet te beredeneren, de Schrift gaat er gewoon van uit. Het heil is voor en door Israël.
De lijn van Hagar en de islam kan zo niets meer of niets minder dan een bijlijn of een zijlijn worden. Dit is niet niets, wel integendeel. Hagar en de islam horen positief thuis in Gods bezig zijn met zijn wereld. Het is niet zo dat het in de Schriften alleen om Israël zou gaan. In ons verhaal is het God zelf die Hagar terug bij Abraham brengt. God openbaart zich aan haar en doet haar een belofte. Zij zal de moeder van een groot volk worden. Als bijzonder iets geeft God de naam aan de zoon die ze baren zal, Ismaël zal hij heten. Ismaël behoort daarmee tot de groten der Schrift aan wie God een naam geeft. De Ismaëlieten zullen vergeleken kunnen worden met de Israëlieten, ook wat het teken der besnijdenis betreft. Van een verbondssluiting of een verbondsvernieuwing is evenwel nergens sprake (Genesis 17,20v). Later herhaalt God wel zijn belofte voor Hagar en Ismaël (zie Genesis 21,13 en 18). Dit betekent voor onze tijd dat de islam gefundeerd is op een speciale relatie met de enige God. De islam heeft niets te maken met heidendom, of met afgoderij. God blijft trouw aan Hagar en Ismaël. De Arabieren zijn zo het volk dat het dichtst bij Israël staat. Het dichtst bij Israël en de Heilige Schriften staan dus niet - zoals men het dikwijls gedacht heeft - het klassieke Griekenland, of de filosofie, ook niet het oude India, of het boeddhisme, niet het boeiende China... Houden wij bij onze kijk op de hedendaagse maatschappij voldoende rekening met deze dingen? De islam zal zeker in de toekomst verder herwaardeerd moeten worden in West-Europa. De islam is, evenals het jodendom, een authentieke zoon van de aartsvader Abraham.
De tweede lezing die wij gelezen hebben, gaat ook over Hagar en Sara. Paulus zet over de beide vrouwen een zeer spitsvondige en zeer vergezochte redenering op, om een bepaalde stelling te bewijzen. Wij volgen Paulus helemaal niet in die uiteenzetting. Juist één element uit het geheel interesseert ons. Paulus stelt dat het christendom via Jezus Christus ook een zoon van Abraham is. In het raam van het hoger gezegde, zou dit betekenen dat het christendom ook een bijlijn of een zijlijn is, die haar oorsprong vindt in Abraham. Het christendom verkeert dan in dezelfde conditie als de islam ten opzichte van Israël, dat de hoofdlijn blijft. Wanneer men de zaak zo bekijkt, dan is het heel normaal dat het christendom zich met de islam vergelijkt. Er valt veel uit een dergelijke, vrij ongebruikelijke, onderneming te leren. In de loop der tijden hebben zowel christendom als islam hun bijlijn tot hoofdlijn willen maken door Israël uit te schakelen, nu eens op filosofisch of theologisch vlak, dan weer economisch of radicaal militair. Er heerste steeds afgunst en jaloezie jegens het jodendom. Dezelfde houding bestond echter ook tussen de zijlijnen onderling. Dit alles concretiseerde zich tevens in het willen bekeren van de anderen, via allerlei zendingsperikelen. Men kon geen vrede nemen met de andere lijnen zoals deze zijn, legitieme zonen van Abraham. Het wordt hoog tijd dat de beide zijlijnen zich inspannen om terug te keren tot een echt verstaan van de Hebreeuwse bijbel, waarmee tenslotte alles begonnen is. Pas dan, in die vernieuwde dialoog tussen de drie godsdiensten, zullen hoofdlijn en bijlijnen zichzelf werkelijk leren verstaan in hun eigenheid. Dit zal ieders verscheidenheid aan het licht brengen, maar vooral de fundamentele eenheid van allen in de ene God van Abraham. Naar het beloofde volle koningschap van die enige God, zijn de drie godsdiensten, ieder op zijn eigen wijze, onderweg, jodendom, christendom en islam.
Bron: Ds. G. Willems
(1) Men kan de verhalen weer vinden in Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Philadelphia 1909-1938, deel 1 p.223 en 237.
Franstalige versie: protestanet.be