Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

37 - Boeddha en Jezus.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 37 van het kerkelijk jaar
Johannes 15,9-17 • Hosea 11 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. WillemsAls we eerlijk zijn, dan moeten wij erkennen dat de wereld waarin wij leven, ons ten diepste verontrust. Die wereld maakt ons onrustig, en komt iedere dag op ons af met allerlei gebeurtenissen die ons bedreigen, uitdagen, of woedend maken. Men zou hierbij vooral aan twee feiten kunnen denken, die telkens weer in de media opduiken. Eerst zijn er de snelle veranderingen in onze samenleving op alle niveaus. De mens van vandaag moet zich steeds aanpassen en nieuwe dingen leren, of hij kan niet meer mee en wordt afgeschreven. Onze voorouders konden nog met een zekere tevredenheid zeggen dat zij hun vak kenden, en beheersten. Wij moeten zeggen dat wij ons beroep telkens opnieuw leren. In de tweede plaats worden wij alsmaar weer geconfronteerd met allerlei vormen van onrecht en corruptie. Denken wij maar aan het barbaarse terrorisme, of aan de zware criminaliteit. Maar er zijn evenzeer de deftige, subtiele vormen van onrecht, als fraude en omkoopbaarheid, die men gebruikt zowel tegen individuen als tegen de samenleving. Wat kunnen wij aan al deze dingen doen? Hoe kunnen wij aan het knagen van onze diepe verontrusting ontsnappen? Zuiver theoretisch gesproken, kan men twee houdingen aannemen. Ofwel zijn ogen sluiten, zodat men die wereld niet meer ziet, en men er als vanzelf afstand van kan nemen. Ofwel zijn ogen openhouden en de wereld veranderen, zodat het beangstigende eruit verdwijnt, en er enkel een goede wereld overblijft. Men kan daarenboven, om het nog wat scherper te stellen, elke houding van een naam voorzien, en zeggen, afstand nemen van de wereld, dat is de oplossing van Boeddha, de wereld veranderen, dat is de oplossing van Jezus. Hoe kan men dit nu verder duidelijk maken?

Boeddha leefde ongeveer van 560 tot 480 v.Chr. in het noordoosten van India. Bijbels gesproken is dit de Perzische tijd, met de herbouw van de tempel van Jeruzalem. Boeddha twijfelt aan de zin van de oude offerdienst zoals die beschreven wordt in de veda’s, de heilige boeken der hindoes. Hij sticht een gemeenschap van wat men monniken (bhiksju’s) zou kunnen noemen, en zijn leer is vooral voor hen bedoeld. De massa der mensen bereikt het gestelde doel nu niet, maar kan dit in latere levens wel. Het doel van Boeddha’s leer is de verlossing van de individuele mens. Het essentiële van het onderricht dat tot die verlossing moet leiden, bestaat uit de vier edele waarheden, en het achtvoudig pad. Dit alles behoort tot het klassieke boeddhisme.
De vier edele waarheden, stellen een soort diagnose van het menselijk bestaan, en bieden tevens een therapie voor de kwaal. De eerste edele waarheid is die van het bestaan van het lijden. Dit basiskenmerk van het mensenleven ervaart men bij ziekte en dood, maar ook bij alle onvervulde verlangens. De tweede waarheid is die van het ontstaan van dit lijden. Het ontstaan ervan ligt in de begeerte van het aardse, de dorst naar de wedergeboorten (reïncarnaties). De derde waarheid bestaat in het opheffen van het lijden; dit gebeurt door het vernietigen van de begeerte. De vierde waarheid tenslotte, is de weg die tot die opheffing leidt. Deze weg wordt nader omschreven in het achtvoudig pad, dat onder meer de regels van de boeddhistische ethiek opsomt. Bij deze indrukwekkende zedenleer horen bijvoorbeeld, het niet deren van al wat leeft, wat onder meer een grote eerbied voor het dier inhoudt. Verder het niet stelen en begeren, met als keerzijde de vrijgevigheid. Ook het spreken van de waarheid, waarbij een vriendelijke taal hoort. Vasten en voorschriften van onthouding, enzovoort. Het pad voert uiteindelijk tot de meditatieve verzinking en de onthechting van het aardse. Zo bereikt men het juiste inzicht en dan met name de verlossing, het nirvana. Het nirvana zou men enigszins kunnen omschrijven als het uitgeblust zijn van de begeerte, het ophouden van het hele menselijke levensproces.
Als eerste lezing hebben wij een gedeelte gehoord uit Jezus’ lange afscheidsrede volgens de evangelist Johannes. Ter vergelijking laten wij hier een gedeelte volgen van Boeddha’s afscheidsrede vóór zijn dood (1) . Ananda is de neef en de lievelingsdiscipel van Boeddha. Men heeft Ananda wel de boeddhistische Johannes genoemd.

Ik ben nu oud geworden, o Ananda, en mijn jaren zijn vervuld, mijn reis nadert haar einde, ik heb de som van mijn dagen bereikt, ik word tachtig jaar oud. Evenals de versleten wagen slechts met veel moeite tot voortbewegen gebracht kan worden, zo kan het lichaam van de Tathagata (zo duidt Boeddha zichzelf aan) slechts met veel bijkomende zorg in gang gehouden worden. Het is slechts dan, Ananda, wanneer de Tathagata, niet langer acht gevend op uiterlijke dingen, gedompeld wordt in die vrome meditatie des harten welke geen betrekking heeft op enig lichamelijk voorwerp - het is slechts dan dat het lichaam van de Tathagata rust heeft.
Daarom, o Ananda, weest gij allen lampen voor uzelf. Vertrouwt op uzelf, en vertrouwt niet op uiterlijke hulp. Houdt aan de waarheid vast als een lamp. Zoekt uw heil alleen in de waarheid. Ziet niet uit naar bijstand van iemand buiten uzelf.
En hoe, Ananda, kan een broeder (men bedoelt een monnik en leerling van Boeddha) een lamp voor zichzelf zijn, alleen op zichzelf vertrouwen en niet op enige hulp van buiten, vasthoudende aan de waarheid als zijn lamp en zijn heil zoekend in de waarheid alleen, niet uitziende naar bijstand van iemand buiten zichzelf? Hierin, o Ananda, dat een broeder, als hij in het lichaam (a) woont, dat lichaam zo beschouwt dat hij, wakker, bedachtzaam en oplettend, terwijl hij in de wereld is, de smart overwinne die uit de begeerten van het lichaam voortkomt. Terwijl hij aan gewaarwordingen (b) onderworpen is, ga hij voort de gewaarwordingen zo te beschouwen dat hij, wakker, bedachtzaam en oplettend, terwijl hij in de wereld is, de smart overwinne die uit de gewaarwordingen voortkomt. En dus eveneens, wanneer hij denkt of redeneert of voelt (c), beschouwe hij zijn gedachten zo dat hij, wakker, bedachtzaam en oplettend, terwijl hij in de wereld is, de smart overwinne die uit de verlangens voortkomt welke het gevolg zijn van denkbeelden, of redenering, of gevoel.
Zij die, hetzij thans of na mijn dood, een lamp voor zichzelf zullen zijn, op zichzelf alleen vertrouwend en niet op enige hulp van buiten, maar vasthoudend aan de waarheid als hun lamp, en hun heil zoekend in de waarheid alleen, die niet uit zullen zien naar bijstand van iemand buiten zichzelf, - zij zijn degenen, Ananda, onder mijn bhiksju’s (men bedoelt de bedelmonniken), die de uiterste hoogte zullen bereiken! Maar zij moeten begerig zijn om te leren.

Boeddha bekeert daarna nog een bedelmonnik, en sterft met een indrukwekkende kalmte. Hij aanvaardt de dood. Deze wordt gevolgd door zijn verlossing, de intrede in het nirvana, de uitdoving van het zelf. Zo heeft Boeddha de wereld overwonnen. Zonder goden en ook zonder offers.
In het stuk uit de afscheidsrede wordt het duidelijk dat Boeddha door meditatie en yogaoefeningen meer en meer afstand neemt van zijn ouder wordende lichaam. Daarna legt hij alles in breder verband uit aan Ananda. Boeddha onderscheidt drie niveaus van onthechting. Het gaat er telkens om dat men de smart (of het lijden), die zich op deze drie vlakken bevindt, overwint. Eerst de begeerten van het lichaam (a), dan de gewaarwordingen (b), en verder de verlangens die het gevolg zijn van denken, redeneren of voelen (c). Deze drie gebieden omvatten eigenlijk het geheel der menselijke mogelijkheden, die men dient los te laten. Ieder moet dit voor zichzelf doen, zonder hulp van anderen, goden of mensen of wat dan ook. De mens verlost zichzelf, als hij de goede weg volgt. Boeddha is daarbij de leermeester die onderwijst, en het voorbeeld geeft. Maar de leerling moet het allemaal zelf, in zijn eigen leven, toepassen.

Jezus’ lange afscheidsrede uit het Johannesevangelie is beroemd. Zij staat tussen de voetwassing in hoofdstuk 13, en het gebeuren in Getsemane in hoofdstuk 18. Volgens Johannes is Jezus, vóór zijn aanstaande dood, zelfzeker en kalm. Bij de synoptici krijgt men veeleer een worstelende en vertwijfelde jongeman van dertig te zien. Denken wij maar aan de gebedsstrijd van Getsemane en aan de kruiswoorden. De diepe reden voor deze vertwijfeling kan men echter ook bij Johannes vinden. Hij formuleert het op een niet dramatische wijze, Niemand heeft grotere liefde dan deze, dat hij zijn leven aflegt voor zijn vrienden (15,13).
Jezus aanvaardt niet gelaten zijn onvermijdelijk einde. Hij is ten andere veel te jong om dat te kunnen doen, een man van dertig. Jezus ziet zijn dood niet zozeer in relatie tot zichzelf, als wel in relatie tot andere mensen. Hij legt zijn leven af, hij geeft zijn eigen leven, om dat van zijn vrienden te redden. Of ruimer gesteld, door zijn dood bestrijdt hij de dood van alle mensen. Hij gaat de dood als zodanig te lijf. Hij houdt de ogen wijd open, en ziet wellicht beter dan wij, de verschrikkingen van het einde en de bedreiging van het menselijk bestaan. Hij peilt de metafysische dimensies van het levenseinde. Hij onderkent het verband tussen dood, lijden en schuld, en hij neemt het allemaal op zich, zodat het overwonnen wordt. Er staat inderdaad een nieuw leven op uit het graf. Een herboren mens, met een verrezen lichaam. De opstanding van het lichaam zou voor Boeddha wel een grote absurditeit geweest zijn, een opnieuw binnenhalen van alle problemen. Ondertussen is het duidelijk dat Jezus wel degelijk iets geeft aan de mensen, hij verlost ze van de macht van de dood.
Het diepste motief voor Jezus’ doen is volgens het geciteerde vers de liefde. Het begrip liefde wordt vooral in het vierde evangelie in alle mogelijke toonaarden bezongen. Jezus heeft zijn discipelen lief, omdat God hem liefheeft. Jezus bootst dus God na, het is als een soort kettingreactie der liefde. Alles gaat daarbij van God zelf uit, die liefde is, en die zijn zoon gezonden heeft zodat de mensen zouden leven (1Johannes 4,8v). Het is belangrijk om bij deze centrale betekenis der liefde te bedenken, dat het Nieuwe Testament deze constructie niet heeft uitgedacht. Men mag het begrip vooral niet gebruiken als contrast met wat christenen het Oude Testament plegen te noemen. Onze lezing uit de Hebreeuwse bijbel bewijst dit overduidelijk. De profeet Hosea is wel bekend voor de beelden die hij gebruikt om de relatie van God tot zijn volk Israël uit te drukken. Hier beschrijft hij God als de liefhebbende vader van Israël of Efraïm, de enige zoon. De vader doet alles voor zijn zoon, hij gedraagt zich als een echte moeder, maar telkens opnieuw luistert de zoon niet. De vader zal straffen, maar hij kan het niet over zijn hart krijgen om de zoon voorgoed te verwerpen. Hij is immers God en geen mens. God blijkt steeds weer een goede pedagoog voor zijn zoon te zijn. Dit is ware liefde, van vader of moeder, helemaal centraal gesteld.
Jezus verandert de wereld door de dood te vernietigen, door zieken te genezen, door schulden te vergeven, alles uit liefde. Hij vraagt van zijn leerlingen, zijn vrienden, om hetzelfde te doen. Ook zij zullen uit liefde handelen, juist zoals hun meester, en zoals God. Die liefde is niet zomaar iets platonisch en abstract, liefde betekent concreet de geboden van Jezus bewaren. En deze geboden kan men samenvatten als het liefhebben van mekaar. De mens zal niet als individu leven, maar in een positieve relatie tot de andere mensen. Hij moet dit doen, want hij dient vruchten voort te brengen. Mensen liefhebben betekent in uiterste gevallen, zelfs zijn leven voor hen overhebben. Dit is een fundamentele verandering van de wereld, mensen worden voortaan medemensen, en zijn geen concurrenten of vijanden meer. Zo wordt de wereld tot een nieuwe schepping.

Bron: Ds. G. Willems


Voetnoot

(1) Het citaat is ontleend aan het volgende oudere werk, dat steeds herdrukt wordt. De spelling van de vertaler werd enigszins aangepast. De auteur geeft in het boek een selectie van oude boeddhistische bronnen weer. Carus P., Het evangelie van Boeddha, Blaricum z.j., p.251v.


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be