Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 53 van het kerkelijk jaar.
Genesis 8,1-22 • Openbaring 21,1-8 •
Een van de kenmerken van de filmkunst in onze tijd is ongetwijfeld dat men aandacht schenkt aan het thema van de interplanetaire oorlogen, de zogenaamde star wars. Onze tijd blijkt, als geen andere, in staat te denken op de grootst mogelijke schaal, in de categorie der hemellichamen. Men gaat daarmee voorbij aan onderscheidingen van lagere orde, zoals nationale staten, klassen, rassen, talen enzovoort. Dit betekent tevens dat de totale vernietiging van een planeet - zoals onze aarde - hoort tot het gedachtengoed waarmee wij leven. Helaas spreekt de realiteit van onze uitdovende twintigste eeuw genoemde denkbeelden niet tegen, maar bevestigt ze veeleer. Onderhandelingen over kernraketten, ongelukken in atoomcentrales als Tsjernobil, het ontploffen van een Titan-raket in zijn silo, het spreekt een duidelijke taal. De twintigste eeuw zal, hoe dan ook, in de geschiedenis van de mensheid steeds de eeuw van Hirosjima en Nagasaki blijven! De atoombom dwingt ons de toekomst van onze hele planeet in vraag te stellen.
Ook in het verleden heeft men ongetwijfeld aan de ondergang van de mensheid gedacht, maar zeker niet als het ging om het voeren van oorlogen. Toen was er, ondanks alle verschrikkingen en verliezen, nog altijd een overwinnaar die overbleef. Maar wat te denken over de pestepidemieën der Middeleeuwen? Men wordt stil als men documenten uit die tijd onder ogen krijgt. Zou men toen niet het gevoel gehad hebben dat dit het einde van de mensheid was? Of nog vroeger, in de prehistorie, toen men te maken had met gigantische overstromingen, of met de niet te stuiten opmars van het ijs?
Temidden van dit alles kan de mens moeilijk anders leven dan met een massa vragen en met een zekere angst en vrees. Tot wanneer zal de geschiedenis der mensheid voortduren, tot wanneer zal het bestaan van onze goede planeet aarde aanhouden?
Hoe staat het met de bijbel in dit hele verband? Wanneer men met al deze zorgen de joods-christelijke wereld binnenstapt, om een antwoord op de existentiële vragen te krijgen, dan moet men eigenlijk met de Heilige Geschriften gaan ‘spelen’. Zo een ‘spel’ betekent geen gebrek aan eerbied - alleen westerlingen voelen dit zo aan - maar getuigt integendeel van liefde voor de Schrift, en voor de God die er door spreekt. Reeds de bijbel zelf speelt met de bijbel, en de rabbijnen en kerkvaders hebben niets anders gedaan.
Om een antwoord te vinden voor een universeel probleem, moet men niet aankloppen bij Mozes en de Sinai, want daar gaat het om Gods verbond met het volk Israël, en met dat volk alléén. Ook bij Abraham kan men niet terecht; daar heeft men immers te maken met Gods verdrag met enkele volkeren. Alleen Noach en het verhaal van de zondvloed, kunnen uitkomst geven.
Positief bekeken is het nieuwe begin na de zondvloed, als een nieuwe schepping. Deze tweede schepping verschilt hierin van de eerste, dat God een verbond met Noach sluit en, door hem, met de gehele mensheid. Met Adam en Eva heeft God nooit een dergelijk verbond gesloten, de toestand was toen geheel anders, echt ideëel. Het verhaal van Noach is echter realistisch, en dus veel belangrijker voor ons nu.
Negatief bekeken betekent de zondvloed de straf van God voor de boosheid van de mensen. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat de mens ook geen goede dingen zou kunnen doen, het bewijs hiervoor is Noach zelf. Tegelijk is de zondvloed ook een opnieuw woeden der chaotische machten. De hemelse en aardse watermassa’s, waarin de oermonsters wonen, dreigen de schepping van God voor goed te vernietigen. Aan de menselijke boosheid beantwoordt de vijandige en vernietigende kracht van de chaos.
Zo is Noach dan in zeker opzicht, de aan de boze medemensen en aan de chaotische machten overgeleverde mens. En de angst maakt zich van hem meester. Waar moet het naartoe, wat gaat er gebeuren? Hij stuurt vogels uit als verkenners. Hun vleugels dragen hen niet alleen door de ruimte, maar eigenlijk ook door de tijd. Door hen voert Noach peilingen uit naar de toekomst van de wereld, peilingen naar Gods bedoeling met hemel en aarde. Zo krijgt hij het goddelijk teken, de duif met de olijftwijg in de snavel (Genesis 8,11). Op de oudchristelijke sarcofagen en muurschilderingen kan men hem zien, in een heel primitieve weergave, die daardoor des te indringender is. Heel alleen staat hij met ten hemel geheven handen in een stevige kist, waarvan het deksel opengeklapt is. Van familieleden of dieren is in die ‘ark’ geen spoor te bekennen. De duif met de olijftwijg vliegt boven Noach, of rust op zijn hand. Heel anders is het gesteld in de San Marco te Venetië. Temidden van alle andere schitterende mozaïeken, is het hele verhaal van Noach levensecht uitgebeeld in een gewelf van het atrium. Alle belangrijke scènes van het gebeuren kan men er bewonderen. Zo kijkt een gebaarde Noach door een geopend raam van de ark. In zijn uitgestoken handen vangt hij de sierlijke witte duif op, die een olijftwijg in de bek houdt...
De duif met de olijftwijg betekent: de bewoonbare aarde is er weer, menselijk leven is weer mogelijk, en dit omdat God het wil. Hij houdt van de mens en kan niet zonder. Hij blijft hem trouw, ondanks alle opstandigheid. Aan het einde van het hoofdstuk bekrachtigt God het gegeven teken met zijn woord, zijn belofte, zijn eed. Ik zal de aardbodem nooit meer vervloeken wegens de mens, want de impuls van het menselijk hart is slecht... Zolang de aarde bestaat, zullen zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, nooit ophouden (8,21v). Ondanks de blijvende boosheid van de mens, zal God zich nooit meer aan de aarde en de daarop levende wezens vergrijpen. De mens verandert helaas niet, maar God herziet zijn doen. De aarde met haar wetmatigheden wordt als blijvende levensruimte voor de mens gewaarborgd, dat is Gods belofte. In hoofdstuk 9 wordt het allemaal nog gepreciseerd, en gebruikt men het begrip verbond om de kwaliteit van dit woord van God te omschrijven.
De duif met de olijftwijg neemt als boodschapper Gods de angst van Noach, en van ons, weg. Wij hoeven niet meer bang te zijn voor de vernietiging of zelfvernietiging van de mensheid en de planeet aarde. God stelt een duidelijke grens aan de mogelijkheden en de gevolgen van de menselijke waanzin. De wereld blijft een onverwoestbare ruimte waarbinnen wij mogen leven.
Natuurlijk rest er hierbij een vraag: zal er ooit een einde komen aan de slechtheid van de mens? Doet God niets méér dan de levensruimte garanderen? Is de menselijke drang tot zelfvernietiging op de planeet aarde, een eeuwig gegeven?
Wat denken de geleerde joodse rabbijnen hierover? Ongeveer 300 jaar na Christus, discussieerden rabbijnen in het land Israël over de vraag vanwaar die olijftwijg kwam, die de duif in haar bek hield. Er werden verschillende antwoorden gegeven. De enen zeiden dat het olijvenloof kwam van de Olijfberg, vlak naast Jeruzalem. De anderen hielden staande dat heel even de poorten van de hof van Eden waren opengegaan, en dat de duif het olijvengroen daarvandaan had gehaald (zie Genesis Rabba 33,6).
Wanneer men over die antwoorden nadenkt, dan ontdekt men dat beide groepen in wezen hetzelfde antwoord geven. De Olijfberg is de plaats waar de Messias in al zijn heerlijkheid zal verschijnen aan het einde der tijden, en de hof van Eden (het paradijs) uit het verleden, verwijst naar de komende voltooiing van de hele schepping. Zo getuigt de duif niet alleen van de begrenzing der menselijke boosheid, maar verwijst zij ook naar de Messiaanse tijd en naar de komende wereld, waarin aan alle menselijke dwaasheid een einde zal komen. Het verhaal van de mensen is zo, Gode zij dank, geen uitzichtloos verhaal.
Wat hebben de vaders van de christelijke Kerk over de duif verteld? De patres hebben heel wat over de betekenis van de duif geschreven, maar wij beperken ons hier tot een enkel detail. De kerkvaders Irenaeus (2e eeuw) en Hippolytus (gestorven in 235) vermelden - en bestrijden in zekere mate - de stelling dat de duif eigenlijk Jezus Christus is, en niemand anders. Zij vertellen dat men deze these wiskundig bewijst. Om dit rekenwerk te kunnen volgen, moet men teruggrijpen naar de getalswaarde van de letters van het Griekse alfabet. Wanneer men de optelling maakt voor het woord duif (Grieks peristera) dan krijgt men als som 801, en dit getal is een aanduiding van Christus, daar de alfa = 1 en de omega = 800, samen 801 vormen. De duif is zo volgens dit onweerlegbaar rekenmachientje Jezus Christus in eigen persoon (zie Tegen de Gnosis I,14,6 en Tegen de ketterijen VI,49,5).
Deze symbolische interpretatie van de duif is zeker niet uitsluitend afhankelijk van dit bewijs, noch van de bewegingen die Irenaeus en Hippolytus opnoemen. Zo vindt men bij menig grafschrift der eerste christenen, een duif afgebeeld met een olijftwijg in de snavel. Gewoonlijk verklaart men dit als duidende op de ziel van de gestorvene, in haar gelukzalige toestand, en daar zal wel iets van waar zijn. Maar de duif met de olijftwijg slaat zeker ook op Jezus Christus, de enige hoop van de overledene. Wij hoorden iets daarvan in onze lezing uit de Openbaring (21,4). Christus heeft immers de Messiaanse tijd ingeluid, de tijd van de opstanding, de tijd van vrede en recht.
Tot de schilderijenverzameling van de heer Nellens te Knokke, behoort een bijzonder doek van de Belgische schilder René Magritte (1898-1967). Wij zullen niet proberen uit te maken wat de meester met zijn werk bedoeld heeft; Magritte is een complexe en moeilijk te doorgronden figuur, en wij achten ons niet bevoegd. Wel kunnen wij pogen onder woorden te brengen, wat wij in het schilderij zien bij het bekijken.
In het midden van het doek bemerkt men een grote, transparante, vliegende, duif. Door haar heen ziet men de lichtblauwe lucht met witte wolken. Het duivensilhouet tekent zich af op een donkere en dreigende wolkenhemel. Onder de vogel ontwaart men de eindeloze, sombere zee. Een eindeloze watermassa, zonder enig teken van menselijke presentie.
De ijle duif is de draagster van Gods boodschap, dat de oerchaos voor altijd bezworen is, en dat de mensen in hun dwaasheid nooit tot zelfvernietiging zullen kunnen komen. De wereld is een blijvende leefruimte, door God gewaarborgd.
Met brede slagen vliegt de duif de toekomst tegemoet. De toekomst die de voleinding en de voltooiing van de wereld zal brengen. In die komende wereld zal de mens eindelijk zijn wat hij hoort te zijn. De boze impuls van zijn hart zal niet meer bestaan.
De duif, Christus, is van dit alles het teken. Hij maakt duidelijk dat God zijn wereld niet in de steek laat. Hij is reeds nu de nieuwe mens van de toekomst. - Hem zij de lof en de heerlijkheid in eeuwigheid!
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be