Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

12 - De gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 12 van het kerkelijk jaar
Matteüs 22,1-14 • Jesaja 25,6-10a •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. WillemsMatteüs’ gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal is een zeer gevaarlijk springtuig. Eer men het goed begrijpt, ontploft het en zaait dood en vernieling. Men heeft inderdaad in de loop der tijden, deze gelijkenis steeds weer in anti-joodse zin gebruikt. Hierdoor kon het christendom blind blijven voor alles wat met de holocaust, of de sjoa, te maken heeft. In vers 7 wordt namelijk gezinspeeld op de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70. Men kan deze gebeurtenis makkelijk uitleggen als de verwerping van Israël... Een ding is zeker, men moet met deze parabel zeer voorzichtig omspringen, willen er geen ongelukken gebeuren.
Wij hebben hier weer te maken met een der Koninkrijk van God gelijkenissen van Jezus. Weer wil hij een bepaald aspect van dit centrale thema van zijn prediking belichten. Om de verwantschap van Jezus’ beelden met die van de rabbi’s uit zijn tijd te illustreren, moeten we eerst naar een vergelijkbare rabbijnse gelijkenis luisteren.

Rabbi Jose bar Chanina sprak: Ziehier een gelijkenis. Een koning richtte een gastmaal aan, waarvoor hij vele gasten uitgenodigd had. Het werd vier uur in de middag, en ze kwamen niet. Het werd vijf uur, zes uur, en ze kwamen niet. Tegen de avond begonnen de gasten langzaam binnen te druppelen. Hij sprak: Grote dank ben ik u verschuldigd, want zo ge niet gekomen waart, had ik de hele maaltijd voor de honden geworpen. - Zo is het ook met de rechtvaardigen. (...) Wanneer zij er niet zouden zijn, aan wie moest God al het goede schenken dat Hij zich voor de toekomst gedacht had? (Midrasj Psalmen 25,9).

Deze joodse parabel (1) gaat ook over de uiteindelijke heilstijd, die God voor de mensen bereidt. Deze tijd wordt voorgesteld als een feestmaal en de koning symboliseert God. Ook hier is het probleem dat de genodigden niet zonder meer komen. Zij reageren niet onmiddellijk op Gods uitnodiging en bezorgen de koning allerlei moeilijkheden.
Om het allemaal goed te begrijpen moet men er vooral rekening mee houden dat onze gelijkenis van Matteüs een parallel heeft in Lucas 14,15-24. Het stuk van Lucas is directer, eenvoudiger en minder ingewikkeld dan dat van Matteüs, en staat ongetwijfeld dichter bij hetgeen Jezus verteld heeft. Matteüs heeft achteraf, toen de tijden veranderd waren, het verhaal van Jezus uitgewerkt in allegoriserende zin, zodat het een nieuwe actuele boodschap zou bevatten.
De eerste vraag die wij nu moeten stellen luidt, wat heeft Jezus zelf met de gelijkenis bedoeld? Het antwoord op deze vraag moeten wij afleiden uit Matteüs, maar vooral uit Lucas. De context van de parabels moet duidelijk maken over wie zij het hebben, wie de verschillende groepen genodigden zijn. Het begin van Lucas 14 heeft het over de leiders der Farizeeën, de wetgeleerden en verder over de bedelaars en gehandicapten. Aan het einde van Matteüs 21 worden de overpriesters en de Farizeeën genoemd en vlak na onze gelijkenis de Farizeeën en de Herodianen. Wanneer men dit alles samenneemt, dan kan men zeggen dat Jezus zich keert tegen praktisch alle partijen uit zijn tijd. Meer bepaald tegen de aanzienlijken en leiders ervan. Jezus heeft het dus niet begrepen op de welgestelde leiders van het volk. Zij zijn het die uitgenodigd worden voor de feestmaaltijd. Zij verontschuldigen zich, zij hebben het te druk met hun rijkelui bezigheden. Zij die daarna wel komen zijn de armen, de gebrekkigen, de blinden, de kreupelen. Jezus neemt zo de kleinsten en onaanzienlijksten van het volk in bescherming. Zij gaan op de uitnodiging in en liggen aan bij het banket.
De Farizeeën vormen de partij die de Thora en haar voorschriften zeer ernstig neemt, samen met de mondelinge overlevering die de voorschriften interpreteert. De farizeese schriftgeleerden of wetgeleerden - wij zouden zeggen de theologen - zijn hun leiders. Met de overpriesters bedoelt men de rijke priesteradel die leeft rond de tempel te Jeruzalem. Zij leveren de hogepriester, onderhouden de contacten met de Romeinen, en vormen de partij der Sadduceeën. Zij hebben weinig te maken met de gewone priesters, die overal verspreid in den lande wonen. De Herodianen zijn de leden van een minder belangrijke partij, die de regering van Herodes Antipas steunt. Het palet der verschillende groepen is daarmee bijna compleet. De vermelde partijen zijn van belang voor de hoofdstad Jeruzalem, het is vooral daar dat zij voorkomen. Jezus spreekt zijn gelijkenis waarschijnlijk daar uit. Jeruzalem, de stad die leiding geeft, de stad van de leiders.
Kort samengevat zou men de bedoeling van Jezus’ oorspronkelijke gelijkenis als volgt kunnen weergeven. De leiders van het volk Israël kennen de Schriften met daarin de beloften van God over zijn komende Rijk. Zij hebben zo de uitnodiging ontvangen en nemen er telkens weer kennis van. Toch, als het zover is, als het bruiloftsmaal van het einde der tijden wordt klaargemaakt, komen zij niet. Zij reageren niet, hebben het te druk met hun eigen zaken. Zij grijpen de laatste kans niet. Zij echter die niet onderlegd zijn, die weinig afweten van de Hebreeuwse bijbel, aanvaarden vol vreugde de invitatie. Het zijn de armen en gehandicapten van het volk, de onaanzienlijken. Zij accepteren de uitnodiging voor het Rijk Gods en liggen aan, temidden van het feest met al zijn pracht en praal. Maar de oorspronkelijke genodigden, zullen geen deel hebben aan de maaltijd in het Koninkrijk van God.

Onze tweede vraag moet nu luiden, wat heeft Matteüs van deze gelijkenis gemaakt en waarom? Wat is zijn bedoeling? Matteüs schrijft waarschijnlijk rond de jaren 75 à 80 van onze tijdrekening. Dit betekent ongeveer 45 à 50 jaar na Jezus’ dood. Ondertussen is de wereld veranderd, zowel wat betreft het joodse volk, als de niet-joodse volkeren, als de groep leerlingen van Jezus. De oorspronkelijke parabel van de meester zegt niet veel meer, de leiders van Israël zijn inmiddels verdwenen en het hele volk zucht, meer dan ooit, onder de verdrukker. Daarbij komt dat men onder de volgelingen van de Messias meer en meer niet-joden telt, wat dan weer de vraag oproept naar hun aandeel aan het Koninkrijk der hemelen. Bij het doordenken van de gelijkenis van Jezus meent Matteüs - en dit geldt reeds in mindere mate voor Lucas - antwoorden te horen op deze vragen. Het is alsof de meester blijft onderrichten, zelfs lang na zijn dood. Wat is dan nu de betekenis van de vernieuwde gelijkenis?
Bij de eerste dienaren die uitgezonden worden om de genodigden te roepen, kan men denken aan de profeten uit de Hebreeuwse bijbel. Zij kondigen het grote feestmaal aan, maar men gelooft hen niet. Niemand komt. De tweede reeks dienaren die uitgaan, inviteren met meer aandrang. De dieren zijn thans geslacht en alles is gereed. Hiermee bedoelt men ongetwijfeld de apostelen van Jezus en de zendelingen. Alles is nu klaar! Maar men slaat de uitnodiging in de wind en werkt verder. Sommigen mishandelen en doden zelfs de slaven. Men kan hierbij denken aan Stefanus en de anderen uit het boek der Handelingen. Maar dan wordt de koning kwaad en stuurt zijn legers en brandt de stad plat. Dit slaat duidelijk op de verwoesting van Jeruzalem en de tempel door de Romeinen in het jaar 70. Aan de binnenkant van de triomfboog van Titus te Rome, kan men zien hoe het tempelgerei met de zevenarmige kandelaar, wordt meegedragen in de grote processie van de hoofdstad van het wereldrijk. Met de vernietiging van Jeruzalem is het hart van het joodse volk geraakt. Opnieuw zendt de koning slaven uit, nu niet meer naar de stad, want die is er niet meer, wel naar de pleinen en wegen verder weg. Zij verzamelen daar alle mensen die zij aantreffen. Men moet hierbij denken aan de christelijke zending onder de volkeren, de heidenen of paganisten, buiten het land Israël. Misschien worden daarbij nog wel joden bereikt, maar dat is dan een kleine minderheid.
En dan gaat de parabel merkwaardigerwijs verder op een andere golflengte. Er worden geen nieuwe dienaars uitgestuurd, maar alle gasten die gekomen zijn, worden geoordeeld naar hun kleding. De koning maakt het verschil tussen slechten en goeden. Dit beeld verwijst ongetwijfeld naar het laatste oordeel. Het schiften van alle mensen, alle volken der aarde. De volkeren worden wel door de koning binnengelaten, maar zij worden niet als zodanig aanvaard. Zij moeten een bruiloftskleed aantrekken, zij moeten zich bewust richten op de koning die zij tevoren niet kenden, en op de bruiloft van zijn zoon.
De gelijkenis van Jezus wordt door deze bewerking van de evangelist tot een verhaal van de hele heilsgeschiedenis van Israël en de heidenen. Het gaat eerst om Israël, maar dat wil niet, en dan richt God zich tot de paganisten. Dezen worden evenwel niet zo maar aangenomen, hen wacht het laatste oordeel. Elders in het Nieuwe Testament is het vooral Paulus, de heidenapostel, die met deze thema’s worstelt. Matteüs is hier ongemeen scherp aan het adres van zijn eigen joodse volk, door het opnemen van de val van Jeruzalem in dit schema. Men kan nog dergelijke scherpe dingen vinden in zijn evangelie. Hij kan niet begrijpen waarom Israël, in het optreden van Jezus van Nazaret, zijn Messias niet herkend heeft. Kennelijk bestaan er in de tijd van Matteüs zeer hevige conflicten tussen joden en joodse christenen hierover, vermengd met allerlei politiek problemen. De Romeinen zitten er ook voor iets tussen.

Wanneer wij als niet-joden even doordenken over al het gezegde, dan past ons in de eerste plaats een gevoel van dankbaarheid. Het heil, onze redding, is immers uit de joden, zoals Johannes het zegt (4,22). Alle onbegrijpelijke bokkesprongen van de geschiedenis hebben gemaakt dat wij de God van het joodse volk hebben leren kennen. Wij zullen dus dankbaar zijn jegens Israël, omdat wij dank zij hen, de enige God aanhangen. Een oordeel over Israël komt ons verder niet toe. Wij kunnen alleen op basis van de Schriften zeggen dat God zijn verbond met Israël altijd trouw zal blijven. God zal daarom ook steeds in de eerste plaats de Koning en de Vader van het joodse volk zijn. De volkeren van de wereld komen altijd in de eerste plaats. Op de vraag waarom Jeruzalem in 70 verwoest moest worden, en op alle andere vragen, tot en met die van de sjoa, valt verder theologisch geen antwoord te geven. Wij kunnen enkel zwijgen. God bewaart zijn geheimen tot de jongste dag.
Het tweede wat hier aangestipt moet worden, is dat pakkende beeld dat door al deze gelijkenissen speelt, het koninklijk feestmaal aan het einde der tijden. De wereld loopt niet uit op een grenzeloze afgrond, een zwart gat. Langs mysterieuze paden voert de geschiedenis ons voort naar het volle koningschap van God. Hij richt het grote feestmaal aan op de Sionsberg, zoals onze tweede Schriftlezing het zegt. De feestmaaltijd van vette spijzen en belegen wijnen is bestemd voor alle volken. God zal dan de sluiers der geschiedenis wegnemen en de dood voor goed vernietigen. De smaad van zijn volk Israël zal hij wegnemen. En allen zullen zeggen: ‘Dit is de Heer op wie wij hoopten. Laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die hij geeft!’

Bron: Ds. G. Willems


Voetnoot

(1) Wij vonden deze iets ingekorte gelijkenis in, D. Flusser, Tussen oorsprong en schisma, Hilversum 1984, p.185.


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be