Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 15 van het kerkelijk jaar (veertigdagen)
Matteüs 7,28-8,4 • Psalm 119,33-56 •
Alle filmliefhebbers herinneren zich ongetwijfeld de film Ben-Hur met Charlton Heston in de hoofdrol. Vooral de scène met de wedren van de strijdwagens in het grote circus is adembenemend en terecht beroemd. Het is meer dan levensecht, en toch gaat het verhaal terug op een roman uit 1880, geschreven door de Amerikaan Lew Wallace. Aan het einde van de film blijken de moeder en de zuster van Ben-Hur melaats te zijn. Zij trekken zich met andere lepralijders ver buiten Jeruzalem terug, in een grote grot of een groot gravencomplex. Zij wachten er in feite op hun dood. Tot zij horen over de genezingen van de man van Nazaret, en uiteindelijk zelf door hem geheeld worden. Het is eigenlijk een pakkend verhaal... Er is helaas een mogelijkheid om deze dingen verkeerd te interpreteren. Men zou het kunnen aanvoelen alsof de joden melaatsen verstoten, en hen zelfs willen doden. Daartegenover staat dan Jezus, als degene die zich over leprozen ontfermt. We zouden zo weer te doen hebben met de bedenkelijke caricatuur, die de joden gebruikt als een zwarte achtergrond, waarop de lichtende redder des te beter uitkomt. Zo kan men de Schrift echter niet lezen, de zaken liggen helemaal anders, en zijn tevens veel rijker. Hoe staat het werkelijk met de melaatsen in het jodendom?
De wetgeving over de melaatsheid vindt men in de Thora, in de hoofdstukken 13 en 14 van het boek Leviticus. Eerst worden zeer uitvoerig de kenmerken van de ziekte beschreven. De deskundige voor de lepra is de priester, hij beoordeelt de gevallen en maakt uit of men al dan niet de ziekte heeft. De melaatse is onrein en moet door de andere mensen gemeden worden. Hij dient als teken van zijn ziekte zijn kleren te scheuren, zijn haar los te laten hangen, en te roepen: onrein, onrein! Hij mag niet met zijn volksgenoten in de legerplaats verblijven, maar moet erbuiten wonen. Dan volgt een heel stuk over de lepra van weefsels en leder. Beide materialen moeten verbrand worden. Hoofdstuk 14 begint met een uitvoerige beschrijving van het reinigingsritueel voor een leproos, eenmaal deze genezen verklaard is. Het is de priester die de vaststelling doet, en die het ritueel uitvoert. Op de eerste dag van de reiniging gebruikt men twee vogels, cederhout, scharlaken, hysop, water, en wordt de genezen persoon zevenmaal besprenkeld. Op de achtste dag gaat het er grootser aan toe en heeft men nodig, twee schapen, een ooi, meel en olie. Dit moet dienen voor een schuldoffer, een zondeoffer en een brandoffer. Wat bloed en olie dient aan de genezene gesmeerd te worden. Er wordt ook een minder kostbare formule beschreven. Tenslotte heeft men het over de melaatsheid van een huis. Soms kan dat gesaneerd worden, zo niet, moet het afgebroken, en zal het puin buiten de stad gebracht worden. In het eerste geval doet het reinigingsritueel denken aan dat van de genezen leproos op de eerste dag. Dit overzicht maakt duidelijk dat de melaatsheid een complex gegeven is, waar men echt iets aan wil doen, onder meer om wille van de volksgezondheid van Israël.
Hoe hebben nu de religieuze verantwoordelijken en de rabbijnen in de tijd van Jezus deze voorschriften geïnterpreteerd en toegepast? Hoe leefde men in de praktijk met de melaatsen? Hoe keek men naar hen? Heel wat teksten uit de rabbijnse litteratuur verstrekken ons gegevens. Wij doen hier enkel een greep uit het materiaal. Wat de geestelijke achtergrond van de ziekte betreft, beschouwt men deze als een straf van God voor het kwaad spreken over een ander, zoals dit het geval is in de Schrift bij Mirjam (Numeri 12,10). Ook als een straf Gods voor hoogmoed; dit is inderdaad het geval bij Naäman de Syriër (2Koningen 5,1). Verder als straf voor het hebben van gemeenschap met een menstruerende, en voor andere zonden. De ziekte wordt evenwel niet alleen gezien als straf, zij kan ook een beproeving van Godswege zijn, om een beter mens te worden. De leprozen worden gerekend tot de levende doden, zo erg en onontkoombaar vindt men hun kwaal. Het genezen van een lepralijder is dan ook even moeilijk als het opwekken van een dode. Vandaar dat alleen God zelf hen genezen kan, eventueel op het gebed van een man als Mozes, of op de tussenkomst van iemand als Elisa. Wat nu de leproos zelf betreft, beschouwt men zijn innerlijke ommekeer als een noodzakelijke voorwaarde voor zijn genezing. Het tot God terugkeren, hoort bij de heling. Overigens hebben wij nergens een tekst kunnen vinden waarin een rabbi of een joodse wonderdoener een melaatse geneest.
En de onreinheid van een leproos, hoe moet men die beoordelen? Volgens de halacha, de normatieve joodse levenswijze, wordt de melaatse eigenlijk ook als een dode beschouwd. De cultische onreinheid van de lepralijder is overdraagbaar door aanraking, wat betekent dat wie een melaatse aanraakt zelf onrein wordt. Maar de onreinheid van een dergelijke zieke is ook overdraagbaar door ‘overtenting’ als men dit zo mag zeggen. Men bedoelt ermee dat wanneer een melaatse in een huis komt, alles in dit huis onrein wordt. Oorspronkelijk geldt deze regel enkel voor een dode; wanneer iemand sterft in een tent, dan wordt alles in de tent onrein, zelfs zonder aanraking (Numeri 19,14). Alles in een ruimte onder een dak, krijgt automatisch deel aan de onreinheid. Wat tenslotte de woonplaats van een lepralijder betreft, mag deze niet verblijven in Jeruzalem of in oude steden met muren er rond. Dit vooral vanwege de heiligheid van de hoofdstad en het huis van God, de tempel. In de rest van het land mag de zieke zich wel vestigen. Verder mag hij toch - daar zou men zich niet aan verwachten - aanwezig zijn in de synagoge tijdens de diensten, mits speciale voorzorgen. De melaatse is dus zeker niet volledig afgeschreven door zijn volksgenoten, men mag zijn toestand niet overdrijven.
Nu kunnen wij het hebben over Jezus en de melaatsen, want nu weten wij waarover het werkelijk gaat. Goed en wel beschouwd hoort men weinig over leprozen in de evangeliën. Er is ons Matteüsverhaal met parallellen bij Marcus en Lucas, en verder het verhaal van de tien melaatsen uit Lucas 17. Dat is alles. Een ogenblik heeft men gemeend een nieuw leprozenverhaal ontdekt te hebben in de zogenaamde papyrus Egerton 2, uit de tweede helft van de tweede eeuw. Thans blijkt het dat dit manuscript enkel op een eigen manier onze genezing weergeeft. Het gaat duidelijk om een populaire en kleurrijke navertelling van ons stuk, zonder zelfstandige betekenis. De papyrus bewijst wel dat er een voortgaande mondelinge traditie bestond, zelfs na de fixatie der evangeliën.
Bij de evangelist Matteüs zijn de volgende elementen van het wel zeer korte en bondige verhaal belangrijk. Eerst de houding van de melaatse. Er staat dat hij voor hem neerviel en zei: Indien gij wilt kunt gij mij reinigen. De zieke vertrouwt volledig op Jezus en zijn zending, hij geeft zich volledig aan hem over. Dit blijkt uit zijn lichaamshouding en uit zijn woorden. Het woord reinigen heeft een dubbele betekenis. Het betekent gewoon genezen, maar aan de andere kant ook acceptabel maken voor God. Wij hoorden het, enkel de cultisch reine mag in de tempel tot God komen. De melaatse wil dus duidelijk het contact met God herstellen en vernieuwen. Het gaat om veel meer dan het louter genezen van een ziekte. De kwaal heeft een religieuze dimensie en diepte. Men zou kunnen zeggen, in de geest van wat wij van de rabbijnen hoorden, dat de leproos wil omkeren, terugkeren tot God. Wij noemen dit nogal eens, zich bekeren. Het mysterie achter de lepra blijft echter volkomen. Niets in de tekst zegt ons dat wij hier te maken hebben met een grote zondaar die gestraft is, of met een goede jood die door God op de proef wordt gesteld. Alleen de ommekeer naar God is duidelijk. De melaatse wil weg uit de lichamelijke en geestelijke dood waarin hij verkeert, en God alleen is bij machte hem het nieuwe leven te geven.
Aan het einde van het verhaal wordt het woord getuigenis gebruikt. Hoe moet men dit verstaan? Het getuigenis is bedoeld voor de priesters, die, zoals wij zagen, de genezing van de melaatse moeten vaststellen en vervolgens de offers moeten slachten en het overige reinigingsritueel moeten afwikkelen. Het getuigenis voor de priesters gaat natuurlijk over Jezus. Hij blijkt over Gods kracht te beschikken om de lepra te genezen, de ziekte die gelijkstaat met de dood. Het officieel vaststellen van de genezing betekent bijna het erkennen dat Jezus een dode kan opwekken. Maar dit getuigenis houdt nog meer in. Het getuigt ook aangaande Jezus dat hij trouw is aan de Wet van Mozes. Hij pleit hier niet voor de afschaffing, wel voor de toepassing ervan. Jezus denkt in de geest van de psalmdichter uit onze tweede lezing, de Thora houden is een vreugde. Jezus als Wetsgetrouwe jood, blijkt geen wonderdoener te zijn die zichzelf laat vereren of vergoddelijken. Hij plaatst zichzelf niet in het middelpunt, maar wijst naar God. De God van Israël verdient de offers en de dank, want hij alleen geeft leven uit de dood. Hij alleen kan dat, juist zoals de rabbijnen het zeiden.
Tenslotte is het merkwaardig dat er staat dat Jezus de leproos aanraakt. In de logica van het verhaal is dit eigenlijk niet nodig, want Jezus geneest door een bevel, niet door een of andere manuele behandeling. Daarenboven weet Jezus goed dat hij, door deze aanraking, zelf voor een tijd onrein wordt. Wij hebben daar allerlei over gehoord. Waarom dan die volledig overbodige aanraking? Matteüs antwoordt niet onmiddellijk op die vraag. Hij doet het pas in 8,17 nadat hij een eerste reeks genezingen van Jezus verteld heeft. Hij antwoordt met de woorden van de profeet Jesaja (53,4) hij heeft onze zwakheden genomen, en onze ziekten heeft hij gedragen. Dit betekent dat wanneer Jezus iemand geneest, hij in feite de ziekte van die persoon zelf overneemt. In dit raam wordt het aanraken pas duidelijk, Jezus wordt bewust onrein, neemt bewust de lepra als het ware over. Maar men moet ongetwijfeld nog een stap verder gaan. Zoals er voor de zieke een eenheid van het lichamelijke en het geestelijke bestaat, zo geldt dit zeker ook voor Jezus. Hij neemt niet alleen de lichamelijke ziekte over, maar ook de geestelijke afwending van God, die wij doorgaans met het woord zonde aanduiden. Dit ligt ten andere volledig in de lijn van de context van het geciteerde vers uit Jesaja. Hoofdstuk 53 is het gedeelte bij uitstek dat spreekt over de merkwaardige lijdende knecht des Heren.
Ons verhaal over de genezing van een melaatse door Jezus, is de allereerste genezing die door Matteüs beschreven wordt. Deze eerste genezing is voor de evangelist een symbool, dat reeds in zich alle andere genezingen meedraagt, alsook hun betekenis. Met deze heel speciale kwaal, gaat het om de testcase, die Matteüs met opzet voorop plaatst. Wie begrijpt waar men hier mee te maken heeft, heeft eigenlijk al het hele evangelie verstaan. Jezus neemt niet alleen de lepra over, maar ook de duistere achtergrond ervan. Zo schenkt hij de zieke het leven, en plaatst hij hem gereinigd voor God. In dat nieuwe contact met God, kan de mens pas leven... Met de ziekten en de misdaden van de mensen beladen gaat Jezus ondertussen verder, tot de Goede Vrijdag. En verder nog, tot de derde dag, wanneer ook hij van God het nieuwe leven zal ontvangen.
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be