Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

De geschiedenis van de plas water

Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Over hoe je voorzorgsmaatregelen neemt
Lukas 18: Farizeër en tollenaar

Bijbeltekst (NBV)

Lucas 18

1 Hij vertelde hun een gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven: 2 ‘Er was eens een rechter in een stad die geen ontzag had voor God en zich niets aan de mensen gelegen liet liggen. 3 Er woonde ook een weduwe in die stad, die steeds weer naar hem toe ging met het verzoek: "Doe mij recht in het geschil met mijn tegenstander." 4 Maar lange tijd wilde hij dat niet doen. Ten slotte zei hij bij zichzelf: Ook al heb ik geen ontzag voor God en laat ik mij niets aan de mensen gelegen liggen, 5 toch zal ik die weduwe recht verschaffen omdat ze me last bezorgt. Anders blijft ze eindeloos bij me komen en vliegt ze me nog aan.' 6 Toen zei de Heer: ‘Luister naar wat deze rechter zegt, al minacht hij ook het recht. 7 Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen? Of laat hij hen wachten? 8 Ik zeg jullie dat hij hun spoedig recht zal verschaffen. Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde?'

9 Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde hij de volgende gelijkenis. 10 ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was een Farizeeër en de ander een tollenaar. 11 De Farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: "God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. 12 Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af." 13 De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: "God, wees mij zondaar genadig." 14 Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.'
15 De mensen probeerden ook kleine kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken. Toen de leerlingen dat zagen, berispten ze hen. 16 Maar Jezus riep de kinderen bij zich en zei: ‘Laat ze bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. 17 Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan!'
18 Een hooggeplaatst persoon vroeg hem: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?' 19 Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, alleen God. 20 U kent de geboden: pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, leg geen vals getuigenis af, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.' 21 De man zei: ‘Aan dat alles heb ik me sinds mijn jeugd gehouden.' 22 Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Nog één ding ontbreekt u. Verkoop alles wat u hebt en verdeel de opbrengst onder de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij!' 23 Toen de man dat hoorde, werd hij diepbedroefd. Hij was namelijk zeer rijk.
24 Toen Jezus zag dat de man zo bedroefd werd, zei hij: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan. 25 Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.' 26 Daarop zeiden zijn toehoorders: ‘Wie kan er dan nog gered worden?' 27 Jezus zei: ‘Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.' 28 Toen zei Petrus: ‘Maar wij hebben alles wat we bezaten achtergelaten om u te volgen.' 29 Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die huis of vrouw, broers of zusters, ouders of kinderen heeft achtergelaten omwille van het koninkrijk van God, 30 zal reeds in deze tijd het veelvoudige ontvangen en in de tijd die komt het eeuwige leven.'

31 Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen: ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, en alles wat door de profeten is geschreven zal men de Mensenzoon laten ondergaan. 32 Want hij zal worden uitgeleverd aan de heidenen en worden bespot en mishandeld en bespuwd. 33 En nadat hij is gegeseld, zal hij worden gedood, maar op de derde dag zal hij opstaan.' 34 De leerlingen begrepen er niets van. De betekenis van Jezus' woorden bleef voor hen verborgen, en ze konden maar niet bevatten wat hij had gezegd.
35 Toen hij in de buurt van Jericho kwam, zat er langs de weg een blinde te bedelen. 36 Toen de blinde een menigte voorbij hoorde komen, vroeg hij wat er gaande was. 37 Ze zeiden tegen hem: ‘Jezus uit Nazaret komt voorbij.' 38 Daarop riep de blinde: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!' 39 Degenen die voorop liepen, snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!' 40 Jezus bleef staan en zei dat men de blinde bij hem moest brengen. Toen deze voor hem stond, vroeg hij hem: 41 ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?' De blinde antwoordde: ‘Heer, zorg dat ik weer kan zien.' 42 Jezus zei: ‘Zie weer! Uw geloof heeft u gered.' 43 Onmiddellijk kon hij weer zien en hij volgde hem terwijl hij God loofde. Alle mensen die getuige waren geweest van dit voorval brachten hulde aan God.

Verhaal

Bijbels verhaal voor kinderenHet liep tegen de adventstijd en dominee Geurs ging in onze kerk preken over de farizeeër en de tollenaar, uit Lukas 18 was dat, zei hij. De regen ruiste in de goten en droop langs de ramen, en hij begon te zeggen tegen ons: "Kijk kinderen, Jezus komt en wij moeten ons voorbereiden. Die farizeeër deed dat ook, al wist hij het niet, hij was een trotse man. Hij deed heel veel in dienst van God, hij bleef niet achter met bidden en vasten en tienden aan de belasting geven, nooit zat hij stil, hij liep altijd vooraan. Zo iemand, zal je zeggen, zal Jezus zeker tegenkomen.
Ook nu was hij weer op een vroege morgen in de Tempel, en hij deed zijn gebed. En terwijl hij zo bezig was, zag hij de tollenaar komen. Gebogen, met de ogen op de grond. Die stond van verre, dat is in de buitenste voorhof, hij stond in de binnenste voorhof natuurlijk. ALLEEN VOOR JODEN stond daar op het bord. Nu, daar kwam de tollenaar niet, die waagde dat niet, hij leefde veel te oneerlijk. En de farizeeër zei tegen God, die (volgens hem) daar binnen op twee gouden engelen zat en troonde: "Ik dank U, Heer van de Tempel dat ik niet ben zoals die man daar, gelukkig niet!"

"Dat beviel de Heer Jezus helemaal niet", zei dominee Geurs, "daarom zei hij dat die arme tollenaar vergeving vroeg en toen veel blijer naar huis ging dan die trotse farizeeër. Want al stond hij van verre, achter het muurtje dat over het tempelplein liep, toch was God dichtbij.
"Dat is ook bij jullie zo, kinderen", zei de dominee, "als je verkeerd hebt gedaan, als jij je hele leven hebt bedorven, net als die tollenaar, dan nòg ben je welkom bij God. Als je zegt:'Heer, sorry, ik heb verkeerd gedaan, Heer Jezus, pardon!' en je denkt: ik ben echt te ver weg, en de hemel is hoog - dan nòg zal Hij je horen, want God kent je hart.
"Want weet je," zei hij tegen ons, "wanneer je hart ver weg is van God? Als je trots bent, als je neerkijkt op de andere mensen, zoals die farizeeër deed. Maar als jij je hoofd buigt, en als je op je borst klopt, zoals de tollenaar deed, dan ben je veel dichterbij God dan hij!"

"Waarom deed die man dat?" vroeg een van de kinderkerkkinderen, "waarom klopte hij op zijn borst, was hij dan tòch een beetje trots?"
"Niks hoor", zei de dominee, "dat deed hij om aan God te laten zien waar het kwaad zat. Het zit Heer, bij mij van binnen, wilde hij zeggen, kijkt U maar, het zit hier!"
En dominee Geurs zei dat hij een paar zondagen eerder iets had beleefd dat hij ons graag wilde vertellen, "maar pas op", zei hij, "heb je laarzen aan? Want dit wordt een kletsnat adventsverhaal, je krijgt zeker natte voeten!"
Ik zette mijn voeten op de spijlen van de stoel voor mij, natte voeten had ik al, en de dominee vertelde toen dit:

"Kinderen, ik ging op een zondagmorgen preken in een kerk, hier wat verder weg, en ik was vroeg. Ik zette mijn auto op de parkeerplaats, en het stroomde van de regen, net als nu. Dus wat deed ik? Eerst even kijken of ik niet in een plas water stond. Want de eerste verkeersregel die je hier in de kerk vanmorgen kunt leren is deze: parkeer nooit je auto in een plas water, doe dat niet, dat is regel nummer één.
Naast mij stond een auto, daarin zat een man te wachten. Hij stond wel midden in een plas water, hij kende die verkeersregel van mij zeker niet. Maar hij deed zijn portier op een kier, en hij zei: "Dominee, u bent vroeg, maar ik ben nog veel vroeger, want ik stond hier al!"
"Ja, u bent nog vroeger dan ik", zei ik, en bij mijzelf dacht ik: waar maak je jezelf druk over, man, dat is toch niet belangrijk!"
Hij deed zijn portier wat verder open, en hij zei: "Kijk, dominee, ik ben altijd vroeg. Altijd ben ik de eerste bij de kerk. Als er nog niemand is, ben ik er al. Want ziet u, als je de Heer dient, moet je er vroeg bij zijn!"
"Ja", zei ik, "mijnheer, dat is misschien wel zo!" En ik zag dat zijn auto midden in een diepe plas water stond. En ik dacht: dat moet ik hem misschien wel eventjes zèggen. Maar ik deed het niet. Kinderen, wat slècht van mij, hè?"
Heel de kerk lachte, en hij zei: "O, gelukkig, jullie vergeven mij!"

"Nu had mijn buurman het portier helemaal open en hij zocht zijn paraplu. "Ik ga vast naar de kerk", zei hij toen hij het regenscherm had, "als de dienst begint, zie ik u wel!"
En hij stak zijn benen naar buiten, kinderen, allebei tegelijk, maar omdat hij tegen mij praatte lette hij op zijn voeten niet. En ja hoor, plons, plets!! Daar stond hij tot aan zijn enkels in het water! Met de paraplu op, want het hoosde nog steeds. Het was zo'n grappig gezicht! Ik moest vreselijk lachen, maar ik moest ook ernstig blijven kijken, dat viel niet mee!

"Jullie begrijpen, kinderen, dat hij schrok! Ik ben naar de kerk gegaan met mijn koffertje, waar mijn toga in zat, maar ik had niet zo'n goed gevoel. Want ik liet hem achter met zijn schoenen vol water, en waarom had ik nu niets gezegd?"
"U wilde hem een lesje leren!" zei een van de kinderkerkkinderen.
"Misschien wel", zei de dominee, "dank je dat je dat zegt!"

 

"Hoe liep het af?" wilden de kinderen weten.
"Wel, zo", zei de dominee, "hij kwam het laatste binnen. Maar hij kloste zo, ik hoorde hem al van verre komen. En wat had hij aan? Klompen! Die had hij misschien in zijn kofferbak staan, of hij had ze geleend.
Maar zo zie je dat je nooit trots moet zijn als je gaat naar de Heer, dat je nooit moet opscheppen, of neerkijken op een ander. Want het wordt advent, lieve kinderen, wij zeggen: de Heer komt! Dan moet je wel op tijd zijn, dat zeker wel, maar kom als de tollenaar, niet als de farizeeër!"

 

Dat was het einde van het verhaal van de plas water, en ik had steenkoude voeten.
En een van de kinderen zei: "Dominee, ik ken de tweede verkeersregel voor als je naar de kerk gaat. Neem altijd een paar klompen mee, want dan blijf je tenminste drijven!"

Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be