Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

42 - De Knecht des Heren, licht der volkeren.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 42 van het kerkelijk jaar.
Jesaja 49,1-6 • Johannes 12,27-36 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems

Voor het christendom is de paastijd de belangrijkste periode van het kerkelijk jaar. Het is de tijd waarin men zich voorbereidt op de gebeurtenissen van de Goede Week, met name de Goede Vrijdag en Pasen zelf. Jezus’ dood en zijn verrijzenis vormen de essentiële momenten uit zijn leven. De eeuwen door heeft deze sterke tijd helaas ook een negatief bijeffect gehad. Het christendom keerde zich dan tegen degenen die zogenaamd Jezus gedood hadden, te weten de joden. Men verweet hen ‘godsmoordenaars’ te zijn. Dit gebeurde niet enkel op verschillende wijzen in de liturgie, maar ook in daden. Allerlei vormen van jodenvervolging vonden bij voorkeur plaats in de Goede Week.
Thans worden de meeste christelijke kerken er zich van bewust dat die vijandige houding verkeerd was en is. Zij hebben dan ook speciale commissies in het leven geroepen om de dialoog met het jodendom aan te gaan. Deze commissies voor de joods-christelijke betrekkingen beogen doorgaans een drievoudig doel:

(a) Zij bestrijden het latent antisemitisme van de Kerk. De Kerk staat inderdaad niet open en eerlijk tegenover het jodendom, maar wil het steeds vernederen en inferieur maken aan zichzelf. Deze houding heeft mede geleid tot de sjoa. Via eerlijke analyse en zelfkritiek, moet het komen tot de erkenning van het verkeerde van deze houding. (b) Zij willen liefde voor het jodendom aankweken. Het jodendom is immers de moedergodsdienst, waaruit wij als christenen zijn voortgekomen. Zijn moeder zal men respecteren en liefhebben. Dit moederaspect komt het duidelijkst uit in twee dingen. Eerst is de God van Israël ook de God der christenen geworden. Zij hebben de joodse God aangenomen. De Vader van Jezus Christus is geen nieuwe God. Verder hebben de christenen de Heilige Schriften van Israël eveneens geaccepteerd. Het zogenaamde Oude Testament is joods zonder meer, maar ook het Nieuwe Testament is door joden geschreven, voor wie Jezus weliswaar de figuur van de eindtijd was. (c) Zij willen tegenover Israël getuigen van Jezus’ Messias zijn. Men moet met dit punt voorzichtig omspringen. Wat bedoelt men precies? In het verleden heeft men al te dikwijls gedacht dat het erom ging joden te bekeren en over te halen tot het christendom. Deze houding van de Kerk heeft, de eeuwen door, veel schade berokkend zowel aan het jodendom, als aan het evangelie zelf. Denken wij maar aan de Marranen, de joden uit Spanje en Portugal, die gedwongen werden zich te laten dopen in de 14e en 15e eeuw, maar in het geheim hun godsdienst bleven aanhangen. Neen, het getuigen van Jezus’ Messiaanse functie heeft te maken met het leven van de christenen zelf, en met niets anders. Hierbij past het eerst en vooral, dat de volgelingen van Jezus bekennen dat zij hun Heer steeds weer ontrouw zijn. Zij leven niet zoals hij geleefd heeft, en maken hem daardoor tot een bedrieger. Wanneer de christenen echter het volk Israël en zijn God oprecht gaan liefhebben, en dit ook tonen, dan is dit een positief getuigenis voor Jezus. Deze solidariteit met onze geestelijke moeder, zal duidelijk maken dat de mysterieuze Jezus van Nazaret, in feite, de grootste joodse zendeling onder de heidenen geweest is. Door hem zijn JHWH en Israël geliefd in de christelijke kerken over de hele wereld.

Het gedeelte dat wij gelezen hebben uit de profeet Jesaja, zal ons toelaten deze dingen nog wat scherper te stellen. Het stuk handelt over de knecht des Heren; men zou ook kunnen vertalen slaaf of dienaar van JHWH. Volgens de bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap, vindt men bij Jesaja vier gedichten over deze knecht des Heren. Te weten in: 42,1-7 49,1-7 50,4-11 52,13-53,12. Vooral het vierde gedicht is zeer bekend in de christelijke Kerk, daar het spreekt over het lijden van de knecht, en men hierin Jezus heeft menen te herkennen. De nieuwste bijbelvertalingen zonderen de vier gedichten echter niet meer zo af van hun context, en doorbreken daarmee de oude these van Bernhard Duhm. Men moet inderdaad toegeven dat al deze hoofdstukken van Jesaja poëtisch zijn, en men ze eerst als een geheel dient te lezen. Toch willen wij hier de aandacht vestigen op het tweede gedicht, dat wij zojuist gehoord hebben.
Maar eerst moeten wij het nog over het geheel hebben. De hoofdstukken 40 tot 55 van Jesaja moet men scheiden van de hoofdstukken die eraan voorafgaan, en van de hoofdstukken die erop volgen. De onbekende profeet die achter 40-55 staat, leefde aan het einde van de periode van de Babylonische ballingschap, en aan het begin van de Perzische tijd, in de tweede helft van de 5e eeuw vóór Christus. Dit is dus meer dan anderhalve eeuw na koning Hizkia, de figuur waarmee het eerste deel van het boek Jesaja afsluit. De centrale boodschap van de onbekende profeet, die men gemakshalve de tweede Jesaja noemt, is dat er een einde gaat komen aan het machtige Babylonische rijk. Dat einde zal bewerkt worden door Cyrus (of Kores), de vorst van het opkomende Perzische wereldrijk. Cyrus zal veel humaner blijken dan de Babyloniërs, en de ballingen naar hun land laten terugkeren. Hij zal dus de geschiedenis omkeren, en de joden naar huis laten gaan. De profeet maakt echter duidelijk dat achter Cyrus, God zelf staat. JHWH leidt de geschiedenis en gebruikt Cyrus in zijn dienst. De profeet schrikt er niet voor terug Cyrus, de Messias (of gezalfde) van God te noemen (zie Jesaja 45,1). Men staat er van te kijken, wanneer men het leest. Maar er is nog meer. De joodse ballingen of slaven in het Babylonische rijk zullen bevrijd worden, en terugkeren naar het beloofde land en Jeruzalem. Het thema doet denken aan de verlossing uit de slavernij van Egypte, en de uittocht, en de trek naar het beloofde land. Dit betekent dat Jesaja het heeft over een nieuwe exodus uit Egypte (Babel). De geschiedenis herhaalt zich, omdat God steeds weer de verlossende God blijkt te zijn, die zijn volk niet in de steek laat wanneer de ondergang nabij is. Ook zal deze nieuwe uittocht groter zijn dan de eerste, en deze zelfs doen vergeten. Aan de macht van de Babylonische afgoden zal een einde komen, zij zullen het onderspit delven. God zelf zal opstaan, voor de ultieme theofanie aan Israël en de volkeren. Hij zal naar Jeruzalem komen, en door allen erkend worden.
Binnen deze machtige boodschap van de (tweede) profeet Jesaja, functioneert de gestalte van de knecht van JHWH. Wat kan men globaal over de figuur zeggen? Het gaat om een profetische gestalte, dit wil zeggen om een persoon die zeer nauw met God verbonden is. De knecht heeft inderdaad weet van Gods nieuwe heil, en speelt daarin zelf een rol. Nu eens is hij in de teksten een afzonderlijke persoon, dan weer gaat het om de collectiviteit van het trouwe deel van het volk Israël in ballingschap. Een deel van het volk is in Babel weg geassimileerd, maar een ander deel bleef zich van zijn identiteit bewust. Het individuele en het collectieve vloeien voortdurend in elkaar over, en het blijft daardoor allemaal vrij raadselachtig. Het is als twee televisiebeelden over elkaar, die om beurt vervagen en verscherpen. Steeds blijft door alles heen de band van deze knecht met God primeren.

We hebben nu genoeg uitleg gegeven, om het tweede gedicht echt te verstaan. Men zou kunnen stellen dat het gaat om een gedeelte waarin de knecht geroepen wordt, en hem een opdracht wordt toevertrouwd.
Vers 1. In de eerste verzen is het de knecht die spreekt over wat God met hem gedaan heeft en nog gaat doen. Zijn oproep om te luisteren wordt gericht tot de eilanden en de volkeren veraf. Het is veel breder dan het volk Israël alleen. Wat gezegd wordt gaat de hele wereld aan. God heeft zijn knecht geroepen van de moederschoot af. Dit betekent dat het initiatief voor de hele onderneming bij God ligt en bij niemand anders. De profeet of de trouwe rest van het volk waren er nog niet echt bij. De uitverkiezing van de knecht begint in zekere zin bij de aartsvaders. Bijvoorbeeld bij Jakob (en Esau) in de baarmoeder van Rebekka.
Vers 2. Het doel van de roeping, in de verborgenheid van de moederschoot, wordt nader uitgelegd. Het gaat om een profetische opdracht, een profetische taak voor de knecht. Met twee beelden wordt dit verduidelijkt. De mond van de profeet, en het woord dat ervan uitgaat, is als een scherp zwaard. Het gaat dus niet om blabla, die niets zegt en niets doet, zoals het merendeel van onze woorden. Neen, het is een taal die snijdt als een zwaard, en scheiding maakt tussen waarheid en leugen. Het woord doet iets en brengt verandering, het is puntig als een pijl. Tegelijk zijn het zwaard en de pijl nog verborgen, achter de hand Gods of in zijn pijlkoker.
Vers 3. Pas in dit vers worden namen genoemd, en komt men te weten over wie het gaat. Wie heeft God voor de profetische taak uitverkoren? Zijn knecht, Israël! Zoals wij het hoger zeiden krijgt men hier de twee in elkaar overvloeiende beelden, de individuele gestalte en het collectieve volk. Het is door dit vers duidelijk dat men nooit de knecht tegen Israël kan uitspelen. Beide horen samen, en dit geldt in het bijzonder voor het trouwe volksdeel. God zal zich verheerlijken door beiden.
Vers 4. Deze zinnen vormen een tussenspel. Het is de knecht die spreekt in eigen naam, en eigen indrukken weergeeft. Hij is ontmoedigd en teleurgesteld, want zijn opdracht blijkt niet eenvoudig, en geeft geen enkel resultaat. God zelf mag dan achter de opdracht staan, de taak wordt daarom geen pretje. Profeten kennen diepe inzinkingen en zware beproevingen. Het profetisch woord wordt niet geloofd en de ballingen verliezen alle hoop. God blijft echter trouw aan zijn gegeven woord. Hij zal heil schenken.
Vers 5. In de beide slotverzen komt eigenlijk God zelf majestueus aan het woord, en herhaalt de opdracht, maar gaat die tevens verder preciseren, zodat wij eindelijk duidelijk weten waar het op neerkomt. In de eerste plaats gaat het erom Jakob of Israël terug te brengen tot God. Even verder (vers 6) wordt dit verduidelijkt, de stammen van Jakob worden weer opgericht en de bewaarden van Israël worden teruggebracht. Dit slaat allemaal op de terugkeer van het trouwe deel van het volk Israël uit de Babylonische ballingschap naar Jeruzalem en de woning van God aldaar. Het wordt geformuleerd in parallel staande zinnen. De stammen van Israël worden weer gevestigd in het beloofde land. De profeet en de trouwe kern, zien het nu weer zitten. God gaat dit alles realiseren. Israël zal niet langer in ballingschap de afgoden van Babel blijven dienen. Israël zal niet langer dat ‘comfort’ kennen. Er komt een nieuwe exodus.
Vers 6. Het einde van dit vers gaat nog een stap verder. Het gaat daar namelijk in de tweede plaats om de heidense volkeren. De knecht heeft niet alleen een opdracht voor Israël, maar ook voor de niet-joodse volken. God stelt hem tot een licht der volken, zodat Gods heil zich uitstrekt tot de einden der aarde. Wij krijgen hier te maken met de universele dimensie van Gods handelen met Israël. Zo worden wij heidenen erbij betrokken. Is er een verband tussen de twee opdrachten van de knecht? Is het door de nieuwe exodus van het joodse volk, dat de volkeren de grootheid en de macht van God leren kennen en hem ook aanvaarden? Het is mogelijk. Hoe dan ook, het wordt duidelijk dat de knecht en het trouwe deel van het volk Israël, de middelaars zijn tussen God en de volkeren. Israël geeft de ware Godskennis aan de wereld. Het maakt bekend en het illustreert zelf Gods heil. De bevrijding uit de slavernij en de afgoderij, leidt tot echte vrijheid en godsdienst. De God van de nieuwe exodus wil alle mensen bevrijden.

Bron: Ds. G. Willems


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be