Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

49 - De koning.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 49 van het kerkelijk jaar.
Deuteronomium 17,14-20 • 1Samuël 8,1-22 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. WillemsHet Israëlisch-Palestijns conflict houdt sinds de oprichting van de joodse staat in 1948 het Midden-Oosten en de hele wereld bezig. Iedereen heeft zo zijn eigen ideeën over de zaak, en de voorgestelde oplossingen zijn legio. Een van deze voorstellen sluit nauw aan bij de staatsvormen die men tegenwoordig in West-Europa kent. Men zegt: richt één enkele neutrale lekenstaat op in het heilige land, en laat de twee gemeenschappen, de Israëlische en de Palestijnse, op basis van gelijkheid daarbinnen samenleven. Dit komt inderdaad overeen met onze godsdienstige of culturele gemeenschappen die samenleven in een neutraal en seculier land. Deze typisch westerse oplossing, die zijn oorsprong vindt in het gedachtengoed van de Franse revolutie en haar laïcisme, gaat echter niet op voor het Midden-Oosten. Over de islam of het christendom willen wij het hier in dit verband niet hebben. Maar het stuk dat wij uit Deuteronomium gelezen hebben, maakt dit wel duidelijk voor het jodendom. Ons gedeelte uit de Hebreeuwse bijbel spreekt immers over een joodse koning, dus over een zelfstandig en onafhankelijk joods koninkrijk. Het land Israël is in de overlevering gekoppeld aan een eigen koning.
Het enige gedeelte dat wetten biedt met betrekking tot die koning, is ons stuk uit Deuteronomium. Andere trekken van het bijbels koningschap moet men afleiden uit verhalende teksten over concrete figuren. Het kan evenwel zijn dat de monarchie voor een tijd niet realiseerbaar is in Israël, er zijn hiervan voorbeelden te over in de geschiedenis, desniettemin blijft het koningschap ook dan behoren tot het wezen van de joodse godsdienst. Een van de netelige kwesties hierbij bestaat in de afstamming van David, de ideale vorst. Ook verwacht men aan het einde der tijden de koning die men de Messias noemt. Hij is de afstammeling van David bij uitstek.
Hoe staat het nu met de figuur van de koning in het oude Oosten? Wil men het joodse standpunt ten aanzien van de koning goed begrijpen, dan moet men kunnen inzien waar dit overeenstemt met de zienswijze van de andere volkeren rondom, en waar dit er duidelijk van afwijkt. In de Hebreeuwse bijbel zelf, zegt het volk Israël op een bepaald ogenblik tot de laatste richter ...welnu, stel een koning over ons aan, om rechter over ons te zijn, zoals bij alle andere volkeren (zie 1Samuël 8,5 en 19v en ook Deuteronomium 17,14). Oorspronkelijk leeft het joodse volk inderdaad anders dan de andere volken, het heeft geen koning. De leider is Mozes, en daarna Jozua, en dan volgen de richters. De eigenlijke koning van het volk is God zelf. Naargelang de omstandigheden staan tijdelijke figuren tussen God en zijn volk in. Zij worden veelal door God zelf geroepen voor hun taak. Deze tussenpersonen hebben, met name nadat men zich in het beloofde land gevestigd heeft, een zeer wisselende functie, die hoe dan ook nooit erfelijk is.
In het oude Egypte wordt de farao beschouwd als een god op aarde. Hij stamt af van de zonnegod, is diens zoon, en wordt ook zelf vereerd als die god. Deze zienswijze maakt van Egypte ongetwijfeld het land waarvan de koning de meest verheven figuur is. In Babylonië en Assyrië ligt het anders. Daar draagt de vorst weliswaar hoge titels, zoals slaaf of dienaar van de goden, maar hij blijft mens, zij het ook een zeer hooggeplaatst mens. Goddelijke eer wordt hem niet toegebracht. In de proloog en de epiloog van zijn wetten, noemt Hammurapi (18e eeuw v.Chr.) zichzelf de herder van het volk, die geroepen is door Enlil. Sjamasj, de grote rechter van hemel en aarde, heeft hem de wetten gegeven, zodat hij de koning van het recht is. Het staat er ongeveer ook zo voor bij de Hethieten en in Ugarit. De monarch is er hoog en machtig, hij is de bediende der goden, hij is echter zelf geen god op aarde. Hoe dan ook, god of mens, de koning bezit in de culturen rondom Israël in bepaalde opzichten een despotische macht. Hij staat in betrekking met de godheid, en heeft zo een autoriteit die weegt op de samenleving.
Het gedeelte dat wij lazen uit het boek Samuël geeft een goede beschrijving van wat de koninklijke waardigheid inhoudt bij de heidense volken. In deze culturen heeft de vorst een tweevoudige functie. In de eerste plaats is hij de hoogste rechter, en vervolgens ook de opperbevelhebber van het leger die de oorlogen voert (zie 8,19v). De opsomming die aan deze verzen voorafgaat, maakt duidelijk hoezeer een dergelijk monarch weegt op het leven van de gezinnen van zijn onderdanen. De normale gang van zaken in de familiale landbouwbedrijven wordt grondig verstoord. Zij functioneren niet meer autonoom, maar worden onderworpen aan de behoeften van de koning, zijn hofhouding en zijn leger. De zonen worden soldaten van de strijdwagens, van de gewone cavalerie en van de infanterie, of bevelhebbers der eenheden. Andere jongens verrichten boerenarbeid op de koninklijke landerijen. Nog andere worden wapensmeden. De dochters moeten werken als parfumeurs en als keukenpersoneel van de vorst. De beste akkers, en wijn- en olijfboomgaarden neemt hij in beslag, om ze aan zijn hovelingen te geven. Verder heft hij de tienden van het koren en de druivenoogst ten voordele van zijn eigen mensen; ook de tienden van de kudde. De slaven, de sterke mannen en de ezels die aan anderen toebehoren, gebruikt hij voor zijn werk. Ja, eigenlijk worden alle inwoners de slaven van de koning.

Zoals gezegd bevat ons gedeelte uit Deuteronomium 17 de enige wetten die men in de Heilige Schriften kan vinden betreffende de koning. Deze wetten zijn geen koninklijke edicten, de vorst is niet de opsteller van de voorschriften, integendeel. Achter de wetten staat in feite God, en met deze eisen beperkt hij de macht van de monarch. De koning is immers een gewoon mens, die verantwoording verschuldigd is aan JHWH, de ware heerser. Hij is hem rekenschap verschuldigd, en niet aan zijn onderdanen. In de teksten van het oude Oosten, bijvoorbeeld in de wetten van Hammurapi, zoekt men tevergeefs naar vergelijkbare voorschriften. Men vindt er niets in deze zin. Dit betekent dat deze wetten van Deuteronomium typerend zijn voor het jodendom. De koning van Israël moet aan de volgende zes eisen van God voldoen.
Ten eerste, moet de koning door JHWH verkozen zijn. De hoger besproken bijzondere relatie van de vorst tot God wordt gehandhaafd, maar er wordt nu duidelijk bij vermeld dat dit afhankelijkheid van God inhoudt. De koning is uitverkoren door God, juist zoals heel het volk Israël door hem verkozen is. De vorst staat zo in een analoge relatie tot God. Pas wanneer God uitgekozen heeft, mag het volk achteraf de koning aanstellen. Als beeld bij deze wet kan men het best aan het verhaal van de zalving van David door Samuël denken (1Samuël 16); het is inderdaad JHWH die uitkiest, op heel andere gronden dan de mensen dat doen. Dit voorschrift wil vooral ook onderlijnen dat het in Israël niet kan gaan om een vorst die zichzelf gemaakt heeft, evenmin echter om een vorst die door het volk verkozen is (zie Hosea 8,4).
Ten tweede, moet de koning een Israëliet, een broeder zijn. Tegenover het begrip broeder, dat hier duidelijk volksgenoot betekent, plaatst Deuteronomium het woord nochri, het Hebreeuws voor vreemdeling of buitenlander. Hoe komt het dat deze wet zo scherp het onderscheid maakt tussen de volksgenoot en de vreemdeling? Om dit te verstaan moet men ervan uitgaan dat Israël, als een volk van broeders, leeft uit hetzelfde geloof. JHWH heeft hen samen als volk uit Egypte gered en met hen later bij de Sinai zijn verbond gesloten. Deze gezamenlijke geschiedenis is tevens de basis voor de gezamenlijke godsdienst, men dient de God van de exodus en respecteert zijn verbondsvoorschriften. Wie dit niet doet, plaatst zich buiten de volkssolidariteit. Een vreemdeling heeft een andere relatie met God of met goden, niet die specifieke en exclusieve relatie van Israël. Mocht zo een buitenlander koning worden over het joodse volk, dan zou hij dit kunnen meeslepen in een vreemde godsdienst (lees afgoderij). Hij zou zich ook boven het volk verheven kunnen wanen wegens zijn andere relatie tot de metafysische wereld. Deze wet wil niets weten van afgoderij, en evenmin van een hoogmoedig heerser. Israël is een volk van broeders, binnen het verbond met JHWH.
Ten derde, de koning mag niet veel paarden hebben. Dit heeft niets te maken met de hedendaagse paardenliefhebberij. De paarden zijn hier synoniem van militaire macht. Men bedoelt de strijdwagens getrokken door twee paarden, zoiets als de tanks van de Oudheid. Eerst onder koning Salomo worden deze wagens op grote schaal ingevoerd uit Egypte. Deze vorst heeft zo 1.400 wagens en ook nog eens 12.000 ruiters, volgens 1Koningen 10,26v. De profeten van Israël zijn tegen deze militaire macht gekant, het volk zou erdoor op zijn eigen kracht vertrouwen en niet meer op God. Verder is Deuteronomium bang dat de koning als betaalmiddel voor wagens en paarden, aan Egypte joodse slaven of huursoldaten zou leveren. Voor die Israëlieten zou daarmee de uittocht uit de slavernij van Egypte te niet gedaan worden, wat niet toegelaten is, of zelfs als afgoderij beschouwd moet worden.
Ten vierde, de koning mag niet veel vrouwen hebben. Hierbij moet men denken aan de harem van de oosterse vorsten. Aan Salomo worden niet minder dan 1.000 vrouwen toegeschreven, waarvan het grootste deel blijkbaar buitenlandse (zie 1Koningen 11,1v). Het zijn juist deze vrouwen die hem tot afgoderij verleiden en hem doen zondigen tegen JHWH. Dit heidendom is het eigenlijke punt van de kritiek, want de polygamie is in het oude Israël, zoals elders, een geaccepteerde zaak.
Ten vijfde, de koning mag zich niet te veel zilver en goud vergaren. Moet men ook hier aan koning Salomo denken en aan zijn zware belastingen, die na zijn dood zullen leiden tot de splitsing van het rijk? Rijkdom en hebzucht van een vorst vallen ten nadele van het volk uit, denken wij maar aan Nabot en zijn wijngaard die bij het koninklijk domein gevoegd moet worden (1Koningen 21). De profeet Ezechiël (46,18) lijkt zich eveneens tegen deze misstanden te keren.
Ten zesde, de koning moet een afschrift van deze Thora hebben, en zich door de voorschriften daarvan laten leiden. Met dit voorschrift komt men opnieuw in de buurt van het eerste en het tweede punt. De Thora waar het hier over gaat is zeer waarschijnlijk het kernstuk van ons boek Deuteronomium dat tijdens de regering van Josia in 622 in de tempel gevonden werd. Men kan inderdaad zeggen dat Josia gedaan heeft wat hier van de vorst gevraagd wordt, namelijk alle dagen van zijn leven met deze wetten bezig zijn. Bovendien moet de koning persoonlijk een afschrift maken van de rol, waarvan het origineel door de levitische priesters bewaard wordt in de tempel (zie Deuteronomium 31,9 en 24v). Ook mag hij niet hoogmoedig worden tegenover zijn broeders, zijn volksgenoten. Wanneer hij dit alles doet, zal hij zijn koningschap en dat van zijn zonen verlengen.
Als conclusie zou men kunnen zeggen dat de koningswet van Deuteronomium zich vooral keert tegen Salomo en zijn manier van regeren. Salomo heeft het heidendom binnengelaten en de godsdienst van Israël ondermijnd. Zijn rijk is uiteengevallen. De koning van Israël dient daaruit zijn conclusies te trekken. Volgens deze wetten moet de koning verder noch een autocraat zijn, die alle macht naar zich toetrekt, noch een democraat, die het volk laat beslissen. Een goede koning is een theocraat. Hij laat alle macht en alle gezag aan God, die de enige koning is, en zelf past hij, als een gehoorzame vice-koning, Gods wetten toe.

Bron: Ds. G. Willems


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be