Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 50 van het kerkelijk jaar.
Deuteronomium 19,1-13 & 21 • Matteüs 5,38-42 •
In de christelijke Kerk, en vooral in het protestantisme, hebben voorschriften en alles wat ermee te maken heeft een slechte naam. Altijd weer redeneert men op dezelfde wijze en hanteert dezelfde stereotype tegenstellingen. Men stelt dat het in het evangelie niet gaat om wet, wel om genade. De wet is daarmee achterhaald. Het is helemaal de vraag of men de dingen zo tegen elkaar kan uitspelen. Sluiten wet en evangelie, of genade, elkaar werkelijk uit? Is het niet veelmeer zo dat beide grootheden samen thuis horen in de Heilige Schriften, en dat de ene niet zonder de andere kan?
Natuurlijk is het wel duidelijk dat de wetten uit het boek Deuteronomium, die ons al een tijd bezighouden, niet zonder meer overgebracht kunnen worden in onze tijd en samenleving. De verordeningen veranderen in de loop der tijden omdat de wereld verandert en men ze steeds weer moet aanpassen aan de realiteit. Anderzijds heeft iedere cultuur haar eigenaardigheden die niet overeenstemmen met die van andere beschavingen. De rechtspraak maakt een geschiedenis door en die is verschillend voor iedere cultuur.
Wel is het goed zich aan de hand van de voorschriften uit Deuteronomium te oefenen in het rechtsdenken. Voor het volk Israël horen de verordeningen bij het koningschap van God over het volk, en in mindere mate over de hele wereld. De rechtsregels maken deel uit van het verbond dat JHWH als verlosser en koning met Israël sluit. De Kerk spreekt over het Koninkrijk van God, maar vergeet gemakkelijk dat daarbij evenzeer het recht en de wetten horen. God wil uiteindelijk gerechtigheid en vrede onder alle mensen. Zich oefenen in de wet betekent niets anders dan zich oefenen in de regels van het Koninkrijk. Het gaat in het Nieuwe Testament om veel meer, dan om een louter goed innerlijk gevoel.
Wanneer men het over wetten van het zogenaamde Oude Testament heeft, dan gaat het al gauw over het oog om oog en tand om tand. Men noemt deze regel het ius talionis, of het recht der wedervergelding. Wij hebben het gelezen in Deuteronomium 19,21 gij moet met niemand medelijden hebben: het is een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet. Is deze rechtsregel, die door Jezus in de bergrede in een totaal ander verband geciteerd wordt, typisch voor de Hebreeuwse bijbel en het jodendom? Helemaal niet. Sommige wetboeken uit het oude Oosten kennen het ius talionis niet en andere wel. Wij weten eigenlijk niet waarom. Zij die de regel niet kennen vervangen de lichamelijke straf door geldboetes of eventueel door een betaling met slaven. Het bekende, indrukwekkende wetboek van Hammurapi (18e eeuw v.Chr.) behoort tot de categorie van degenen die de wedervergelding wel kennen. De koning van Babel schrijft de talio bijvoorbeeld in de volgende gevallen voor. Wanneer een man een oog van een andere heeft uitgestoken, dan zal men hem een oog uitsteken. Deze wet geldt echter enkel voor de hoogste klasse van de maatschappij, die der vrij geborenen. Voor de lagere klassen moet men een schadevergoeding betalen (zie de wetten 196-199). Wanneer een man de tanden van zijn gelijke uitgeslagen heeft, dan zal men zijn tanden uitslaan. Ook dit voorschrift geldt blijkbaar alleen voor de hoogste klasse, bij de lagere wordt betaald (zie de wetten 200-201). Wanneer een man een dochter van een vrijgeboren man geslagen heeft en zij sterft, zal men zijn eigen dochter doden. Opnieuw moet men voor de lagere klassen betalen, en geldt de talio daar niet (zie de wetten 209-214 en ook 229-231). Voor Hammurapi is het ius talionis dus een strengere wet, die enkel geldt voor de vrije mensen en hen extra bescherming moet bieden. Hun leven is zeer kostbaar.
Wat is nu in breder verband de betekenis en de bedoeling van het recht der wedervergelding. Gaat het zonder meer om een wrede wet? Zeker niet, het ligt in de geschiedenis van de rechtspraak veel complexer dan men gewoonlijk denkt. De basisbedoeling van het ius talionis is paal en perk te stellen aan de ongebreidelde wraak. De straf voor een misdaad wordt beperkt tot hetgeen gelijk is aan die misdaad. Aan de straf wordt dus een grens gesteld, zij mag niet zwaarder zijn dan het eigenlijke vergrijp. Dit is een belangrijk rechtsprincipe dat pas echt duidelijk wordt wanneer men aandacht schenkt aan twee teksten uit Genesis. Aan het einde van het verhaal van Kaïn en Abel wordt gezegd dat indien Kaïn gedood wordt, hij 7x gewroken zal worden (4,15). Een dode resulteert dus in zeven doden. En even verder leest men over Lamech dat hij een man doodt voor een verwonding, en een kind voor een kneuzing. Lamech zal verder 77x gewroken worden (4,23v). Men heeft hier duidelijk te maken met grenzeloze persoonlijke wraak. Het is precies dat wat de talio wil bestrijden. Het oude bondsboek kent het principe in Exodus 21,23-25 en ook de priesterlijke wetgeving in Leviticus 24,17-21. Men zou zelfs kunnen denken aan Genesis 9,6 een vers dat verband houdt met het verbond dat God met Noach sluit. Als beelddrager Gods is de mens - het geldt voor alle mensen - zo verheven, dat zijn leven onbetaalbaar is. Wie dus een mensenleven neemt, kan alleen maar met zijn eigen leven betalen. Noblesse oblige. Dit gaat een beetje in de richting van Hammurapi. Het ius talionis is een rechtsprincipe van gelijkheid dat de blinde wraak bestrijdt. Het wordt toegepast door een rechtbank, en de zaak wordt zo onttrokken aan het persoonlijk ressentiment en de individuele willekeur.
Dit alles betekent echter ook dat het niet verboden is een straf op te leggen die minder zwaar weegt dan de misdaad. Het gaat dan niet om een rechtlijnige wedervergelding, maar om een straf die de afkeuring en de sanctie van de samenleving uitdrukt voor de begane misdaad. Zoals in de andere culturen, probeert men ook in de Hebreeuwse bijbel, na de talio, de rechtspraak verder te doen evolueren in deze meer humane zin. Men zoekt de doodstraf te vermijden, evenals het verminken van het menselijk lichaam. Als voorbeeld zou men kunnen verwijzen naar het bondsboek in Exodus 21,29v. Een als gevaarlijk bekend staande os, wordt niet door zijn eigenaar bewaakt, en doodt een man of een vrouw. Als sanctie wordt de os gestenigd; zijn eigenaar wordt gedood of met een losprijs vrijgekocht. Dit alternatief van de vrijkoop, inplaats van de terechtstelling, betekent de humanisering van de rechtspraak. In latere tijden zal de meerderheid der oude rabbijnen het steeds hebben over het betalen van schadevergoedingen.
Al het gezegde moet ons nu verder ook toelaten de problemen betreffende de onopzettelijke moordenaar te begrijpen. Het is duidelijk dat een moordenaar, die bewust het leven van zijn medemens neemt, ter dood gebracht moet worden. Reeds de decaloog veroordeelt ten strengste de doodslag (Deuteronomium 5,19). Een mensenleven is iets zeer kostbaars en waardevols. Maar hoe staat het met een mens die per ongeluk zijn naaste doodt? Moet ook hij terechtgesteld, want hij heeft eveneens gedood, of moet men rekening houden met zijn intentie, met zijn bedoeling niet te doden? Over deze vragen gaat ons gedeelte uit de Hebreeuwse Schrift.
De oplossing die aangevoerd wordt handelt over zogenaamde vrijsteden. Deze steden fungeren als toevluchtsoorden waar men in bepaalde gevallen ongestraft blijft. Dergelijke plaatsen van asiel, die onschendbaarheid waarborgen, zodat men niet gegrepen kan worden, zijn in het oude Oosten wel bekend. Men heeft het in oude teksten over het asiel voor politieke vluchtelingen. Maar hier gaat het over het niet-politiek asiel, dat bijvoorbeeld nog heden geldt in bepaalde kampen van bedoeïenen voor mensen die van een misdaad beschuldigd worden. Oudtijds hadden bij de Hethieten drie heilige steden het statuut van vrijplaats voor doodslagers, schuldenaars enzovoort.
In de Schrift is Exodus 21,12-14, een gedeelte uit het bondsboek, de oudste tekst die over deze zaak handelt. God belooft aan Mozes in de woestijn voor de onopzettelijke moordenaar een vluchtplaats vast te stellen. Deze plaats is hier wellicht niet te verstaan als een stad, maar wel als een heiligdom, een tempel van God. Vandaar dat men verderop spreekt over Gods altaar. Er is echter een voorwaarde verbonden aan die asielplaats, zij geldt alleen indien de moordenaar iemand onvrijwillig gedood heeft. Het moet om een ongeluk gaan, God deed het zijn hand overkomen, zoals de tekst het formuleert. Wanneer er echter voorbedachtheid in het spel is, dan geldt de vluchtplaats niet en mag men de moordenaar van het altaar trekken. Het gaat hier blijkbaar om het zich vasthouden aan de horens van dit altaar in Gods tempel (zie 1Koningen 2,28). Waar zich dit heiligdom bevindt wordt niet gezegd.
Wanneer men van hieruit Deuteronomium 4,41-43 en ons gedeelte leest, dan kan men de volgende ontwikkeling in de rechtsgeschiedenis van Israël schetsen. In het eerste stuk stelt Mozes in het Overjordaanse, waar hij zich dan bevindt, drie steden vast als vrijplaatsen voor de onvrijwillige moordenaar. Het gaat om Beser, Ramot en Golan. Volgens ons stuk gaat de geschiedenis verder en kijkt Mozes vooruit naar de verovering van het beloofde land. Wanneer deze gebeurd zal zijn, moeten er drie bijkomende vrijsteden toegevoegd worden, één in het zuiden, één in het midden en één in het noorden van het land. Waar men ook woont, er moet steeds makkelijk een vrijstad te bereiken zijn. De namen van deze steden worden pas later genoemd (zie Jozua 20,7v).
De tekst geeft dan ter illustratie een mooi voorbeeld van een onvrijwillige doodslag. Wanneer twee houthakkers aan het werk zijn in het bos, raakt het ijzer van een der bijlen los, vliegt weg en doodt de andere houthakker. De bloedwreker van de overledene, dit wil zeggen zijn naaste verwante van het mannelijk geslacht, mag de eerste houthakker niet doden in de vrijstad. Hij kan het echter wel doen op de weg daar naartoe, wat die route dus zeer gevaarlijk maakt. De spreiding der vrijsteden heeft juist tot doel dit risico van de reis te verminderen, door de weg zo kort mogelijk te maken. Wanneer echter een opzettelijke of moedwillige moordenaar in een vrijstad komt, dan geldt het asielrecht niet voor hem. De oudsten van de stad waar hij woont, die hem dus kennen en weten van zijn haat voor de persoon die gedood werd, zullen hem in de vrijstad laten arresteren en aan de bloedwreker uitleveren. Deze oudsten van de eigen stad treden hier dus op als rechters, beslissen over de voorbedachtheid, en laten de wreker al dan niet toe te handelen. Deze ietwat gemengde procedure waarbij de bloedwreker nog de rol van uitvoerder speelt, laat niettemin duidelijk de vooruitgang van de rechtspraak zien met dit optreden van de rechtbank der oudsten (zie ook Numeri 35,12 en 24v).
Vraagt men naar het diepe argument en motief van Deuteronomium wat betreft de zaak van de onopzettelijke moordenaar, dan stuit men op de uitdrukking onschuldig bloed of bloed van de onschuldige dat niet vergoten mag worden in Israël. Concreet bedoelt men hiermee zowel de vermoorde persoon, wat voor iedereen steeds heeft vastgestaan, als de onvrijwillige doodslager die terechtgesteld zou worden. Dit dóórdenken over het onschuldig bloed, met name van de onopzettelijke moordenaar, illustreert de hoogstaande ethiek van Deuteronomium. Samen met de andere passages over dit geval, bemerkt men een duidelijke ontwikkeling en vooruitgang in de rechtspraak. Na de talio die het blote feit van één dode tegenover één andere dode plaatst, vraagt men nu dieper en subtieler naar de gezindheid van de doodslager. Was het zijn bedoeling te doden of niet? Heeft men te maken met wel overwogen opzet, of is het een ongeluk, een stuk ijzer dat toevallig losraakt? Dit is echte rechtspraak. Onschuldig bloed vergieten zal steeds een gruwel blijven.
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be