Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

De omelet in de fietstas

Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Tegen opscheppers
Jeremia 10: Ik weet dat bij de mens zijn weg niet is

Bijbeltekst (NBV)

Jeremia 10

1 Luister naar de woorden die de HEER tot jullie spreekt, volk van Israël.

2 Dit zegt de HEER: Volg andere volken niet na, raak niet van slag door tekenen aan de hemel, ook al jagen die de hele wereld schrik aan. 3 De gebruiken van die volken zijn niets waard. Ze hakken een stuk hout in het bos, een ambachtsman bewerkt het met zijn beitel, 4 verfraait het met zilver en goud. Ze spijkeren het vast, dan valt het niet om. 5 Het is net een vogelverschrikker, neergezet in een komkommerveld. Het kan niet spreken en moet worden gedragen, want zelf kan het geen stap verzetten. Heb voor beelden geen ontzag, kwaad doen ze niet, en goed nog minder.' 6 ‘Niemand is als u, o HEER, u bent groot, groot is uw naam door uw kracht. 7 Wie zou geen ontzag voor u hebben? Koning van de volken, dat komt u immers toe. Onder alle wijzen van de volken, onder al hun koningen is niemand als u. 8 Allen zijn ze dom en dwaas, wat ze moeten leren is dit: die nietige beelden zijn maar hout. 9 Ze zijn bewerkt met bladzilver, uit Tarsis ingevoerd, met goud afkomstig uit Ufaz, door een ambachtsman, door de handen van een goudsmid. Ze zijn in blauw- en roodpurper gekleed, ze zijn vakkundig gemaakt. 10 Maar alleen de HEER is werkelijk God, hij is de levende God, de eeuwige koning. Door zijn woede beeft de aarde, tegen zijn toorn houden volken geen stand.' 11 ‘Zeg tegen hen: Goden die de hemel en de aarde niet hebben gemaakt, zullen van de aarde verdwijnen, worden onder de hemel weggevaagd.'

12 Hij die de aarde heeft gemaakt met zijn kracht, de wereld heeft gegrondvest met zijn wijsheid, de hemel heeft gespannen met zijn inzicht - 13 als hij zijn stem verheft, ruist water uit de hemel neer. Wolken wekt hij aan de einder, bliksems smeedt hij, de regen valt, hij laat de wind los uit zijn schatkamers. 14 Daar staat het menselijk verstand bij stil. De goudsmid schaamt zich voor zijn beelden. Zijn gietsels zijn niets, ze ademen niet, 15 lege, bespottelijke maaksels zijn het. Wanneer er met ze wordt afgerekend, blijft er niets van over. 16 Hoe anders is de God van Jakob, hij die alles vorm gegeven heeft en aan wie het volk van Israël behoort. Zijn naam is HEER van de hemelse machten.

17 ‘Jeruzalem, belegerde stad, laat je inwoners hun boedel pakken en het land verlaten. 18 Want dit zegt de HEER: Ditmaal slinger ik ze weg, de bevolking drijf ik in het nauw, men zal ze weten te vinden.' 19 ‘Wee mij! Hoe pijnlijk zijn mijn wonden, niet te helen is mijn letsel. Ik dacht: Dit lijden kan ik wel dragen. 20 Maar mijn tent is vernield, alle touwen zijn doorgesneden. Mijn kinderen zijn mij ontvallen, ze zijn er niet meer. Niemand zet ooit nog mijn tent op, niemand spant mijn tentdoeken meer.' 21 ‘De herders zijn een kudde dwazen, ze gaan niet te rade bij de HEER. Daarom lukt hun niets, en is hun eigen kudde verstrooid. 22 Luister! Een geluid komt naderbij, een machtig gedreun uit het noorden, om Juda's steden tot een woestenij te maken, tot een oord voor jakhalzen.' 23 ‘Ik erken, o HEER, dat het niet aan de mens is zijn weg te bepalen, zijn pad uit te zetten, te kiezen waarheen hij zal gaan. 24 Straf mij, HEER, maar doe het rechtvaardig, niet uit woede, vaag mij niet weg. 25 Stort uw woede uit over volken die u niet kennen, over naties die uw naam niet aanroepen, want zij verslinden Jakobs volk, laten er niets van over, en zijn weidegrond verwoesten zij.'

Verhaal

Letitia, mijn vriendin, had in de kerk een stuk uit Jeremia gelezen. Jeremia 10, waar de profeet zegt dat de mensen hun tenten maar af moeten breken en hun koffers pakken, want de Heer drijft ze het land uit. Hij kan hun zonden niet langer aanzien, geen waarschuwing helpt, en nu moet het maar eens goed afgelopen zijn.
Jeremia schrikt zich dood. Maria die tussen ons in zat, moest naar voren komen om een stukje uit het gebed te lezen dat Jeremia daarop doet:

"Ik weet, o Heer, dat de mens zijn weg niet bepaalt,
niemand kan op zijn levenspad uitmaken
welke kant het met hem zal uitgaan".

Ze deed het duidelijk, maar onzeker, het was ook voor de eerste keer, ze is net vijftien.
"Dank je, Maria", zei dominee Geurs, "wat is nu het punt. Wij moeten onszelf niet verbeelden dat wij de baas over ons leven zijn, en dat jij in je eentje kunt uitmaken waar je heen wil, vergeet dat maar, je moet niet zo'n hoge dunk hebben over jezelf. Het is God die over jouw leven beslist, en jij soms ook een beetje. Daarover gaat het vanmorgen. Ik heb een kinderverhaal, dat wil ik graag vertellen, een verhaal voor opscheppers is het, en het heet:

Bijbelverhaal voor kinderen

De omelet in de fietstas

"Omelet - ha, dat lust ik!" zei dikke Hendrik, "fijn verhaal!"

"Er was een jongen, hij heeft naast mij gewoond, die was een enorme opschepper. Hij verzon de dolste verhalen, zo van: "Luister! Ik heb op het circus, verleden week, een olifant die van zijn ton was gevallen, opgetild met mijn pink! En oh ja, een dag later heb ik een vrachtwagen met motorpech tegen de brug opgeduwd met één hand, gewoon op de fiets!" En dan maakte hij zijn borst breed, hij zoog zijn longen vol lucht, en trommelde erop met zijn vuist!"

"Ik heb ook zo'n joch gekend!" riep Pascal, "hij is een tijdje mijn vriendje geweest. En hij deed precies zo: brede borst maken en trommelen, hij zei : "Ik ben de beste in sport, ze hebben mij laatst een medaille gegeven!"
"Maar die had hij natuurlijk niet", zei Hendrik.
"Ja, die had hij wel, maar die was van zijn vader, die heet toevallig net zo, maar ik zag het meteen! Wat een afgang was dat!"
"Je moet niet denken dat je met opscheppen ver komt", zei Marie. "Daar krijg je geen medaille voor. Het is God die over ons leven beslist!"
"Wat zie je er bleek uit, Marie", zeg ik nog, "is er iets?" Maar dominee Geurs ging verder met zijn verhaal.

"Die jongen dus, die naast mij woonde. Op een dag zei zijn moeder tegen hem: "Geert, ik heb eieren nodig. Normaal haal ik ze zelf op de fiets, maar ik heb geen tijd, kan jij dat doen?"
"Oh, natuurlijk, moeder!" riep Geert, "ik moet zeker naar die boer buiten het dorp, waar dat bord bij de weg hangt met: ‘verse eieren' erop?"
"Precies, Geert", zei zijn moeder, "maar de weg is lang, en er zitten lelijke hobbels in, en bovendien een hoge brug. Kan jij dat wel, zonder dat de eieren breken?"
"Niks makkelijke dan dat, lieve moeder", riep Geert, "ik zweef met mijn fiets over de hobbels en kuilen, en de brug, die is niets, als het moet rijd ik gewoon heel snel over het water, dan zink je niet!"

"Hij denkt dat hij de Here Jezus is, zeker!" zei dikke Hendrik, "die liep over het water, toch?"

"Dus daar ging Geert op weg", vertelde dominee Geurs, "en zijn moeder riep hem nog na: "Niet ergens blijven praten, hoor, en dan je fiets vergeten. Zet de dozen met eieren in de fietstas, aan elke kant één, en niet schudden!"
"Nee ma", riep Geert over zijn schouder, en daar ging hij. Midden op de weg, wat niet hoort, vrolijk fluitend, dat mag, en met de handen los, zodra zijn moeder hem niet meer kon zien, dat is streng verboden.

Door de hobbels, over de kuilen, met een zweefduik over de brug, met in elke kant van de fietstas een lege eierendoos, dus dat kon geen kwaad.
"Waar moet je heen?" vroeg zijn vriendje Jannes die aan de waterkant rustig zat te vissen.
"Eieren halen!" riep Geert.
"Nou, dan mag je wel wat voorzichtiger rijden, anders kan je er straks alleen nog maar omlet van bakken!"
"Niks, hoor!" riep Geert, "niks geen omelet. Ik rijd door de kuilen om goed te weten waar ze zijn, zodat ik straks extra goed kan fietsen, en hard over het water, als het moet!"
"Je mag wel oppassen met je fietstas", zei zijn vriendje, "er zit een gat in, dan zink je zeker!"
"Oh, dat geeft niet", zei Geert, "dat gat maak ik toch gewoon even dicht!" En hij reeg er een stukje ijzerdraad door, zie, Jannes, zo lossen wij dat op!

Klaar dus, en fietsen hobbeldebobbel, en eieren halen, twee dozen vol. Blaffende honden die aan je broekspijpen snuffelen terwijl je weer opstapt. Wèg, mormels, anders val ik, hou nou op, heb ik soms jullie broek aan!?
Daar gaat Geert met zijn eieren over de weg, en over de brug, over het water hoeft niet, zwaaien naar mijn vriendje Jannes, en oei!! daar is een hobbel, die had ik bijna niet gezien, maar ik wist dat hij er zat, goed hè?

Maar wie hebben we daar, onder die drie berkenbomen, is dat niet Marijke, het leukste meisje van de klas? En kijk, lacht ze tegen mij!? Oh, dan moet ik even van de fiets, want ik denk dat ik haar mijn verhaal van de olifant nog niet heb verteld, en van die vrachtwagen met motorpech, dat verhaal moet ze horen, dan ben ik meteen vriendjes met haar, dat zal je zien, hemel op aarde!
Daar staat hij dan, onze Geert, onder de drie berkenbomen met zijn circusolifant die weer van zijn ton is gevallen, en zijn camion met motorpech die tegen de brug op moet. En achter hem staat zijn fiets op de standaard onder de bomen. Even nog had Geert gedacht: Ik moet hem tegen die berkenstam zetten, dan valt hij niet om. Maar misschien loopt ze dan weg, en waar heeft een fiets anders een standaard voor? Nou dan!?
En hij vertelt, onze Geert, en zwaait met zijn armen, "en ik duw met mijn ene hand die camion op de brug, en ik zat gewoon op mijn fiets, Marijke!"
"Oh, gossie!" zegt Marijke, maar dat was niet om het verhaal, het was om de klap die de fiets maakte, want die viel om.

"Je maakt zelf niet uit wat er op je weg gebeurt!" zei Marie rustig, "zeker als je niet kijkt!"
"Ja, maar hij sloeg natuurlijk met zijn arm tegen het stuur, die opschepper!" riep Pascal.
"Nee hoor, Pascal, want hij stond daar niet, hij stond bij Marijke, die fiets viel gewoon!"
"Door de wind, misschien", zei Hendrik, "hij had hem ook tegen die boom moeten zetten!"
"Eierstruif, dus", zei Pascal, "ze aten bij hem thuis drie dagen omelet!"
"Je bent er dicht bij, Pascal", zei dominee Geurs.

"Er zat een gat in die fietstas, dat hebben jullie al gehoord. Daar begon een dun straaltje eierstruif uit te lopen! Wat een schrik! Vlug de fiets overeind, tegen de boom, maar hij durfde in de fietstas niet te kijken. "Maak nou open, sufferd", zei Marijke, "jij met je verhalen, alles is stuk!"
Zo was het bijna wel. De dozen lagen om, op de bodem van de fietstas dreven nog maar twee hele eieren, en eentje met een barst.
Marijke haalde een koekenpan, want ze woonde daar, en Geert peuterde het ijzeren draadje uit het gat. Toen stroomde al het struif uit de fietstas, de koekenpan was helemaal vol, ze moesten een tweede halen.

"Ik zou hem hebben geholpen met omeletten bakken", zei Marie. "Je doet er wat room door of melk, en wat peper, ik kan dat, en dan goed roeren!"
"Dat deed Marijke ook", zei dominee Geurs, "

samen in de keuken bakten ze omeletten, dat was een hemel op aarde, en samen brachten ze die naar de moeder van Geert. Daar was het minder een hemel, eerder een hel. Hij kreeg er ongenadig van langs, en als Marijke er niet was geweest, had hij zeker veel straf gekregen, nu kwam hij er met een schrobbering van af.

"Wat is een schrobbering?" vroeg Hendrik.
"Wat jij krijgt als je moeder je er met de stoffer van langs geeft!" zei mijn vriendin.
"Ze schrobt nooit met een stoffer", zei Hendrik, "Titia, wat ben jij dom!"
"Ze zaten dus van de omeletten te eten", zei dominee Geurs, "

en die smaakten wel heerlijk, ze verdwenen tot de laatste kruimel. "Een geluk bij een ongeluk", zei Geert. "Wie had gedacht dat ik met het aardigste meisje van de klas aan de tafel zou zitten om omelet te eten. Ik ging toch gewoon eieren halen, en kijk nu eens hier!"

Ja, kinderen, nu denken jullie: het verhaal is afgelopen, maar zo was het niet. Ze zaten nog op de laatste stukken omelet te kauwen, en opeens stopte zijn vader daarmee. Hij hield op met kauwen, hij keek strak naar het plafond, toen bewoog hij zijn onderkaak een beetje, stak zijn vingers in de mond, en wat zei hij: "Kijk eens even!" juist wat Geert ook al had gezegd. En wat was er te zien en te kijken? Hield hij daar niet tussen duim en wijsvinger een sleuteltje!? Ja, dat zat in de omelet, dat was erin meegebakken!
Een sleuteltje! Het werd onder de kraan afgespoeld en daarna bekeken. Niet groot, eerder klein, en met een kartelbaard aan twee kanten.
"Een fietssleuteltje!" zei Marijke. "Geert, mis je er één?"
Nee, Geert niet, en niemand niet. "Een fietssleuteltje is het niet", zei zijn vader, "dat heeft maar een baard aan één kant, nee, het is wat anders...!"

"Niemand wist waar het sleuteltje op paste, Geert stak het dus maar in zijn zak. "Maar wat ik wil vertellen is wel duidelijk, zeker? vroeg dominee Geurs."

"Ja hoor", zei Pascal, "dat je nooit weet als de dag begint, hoe hij eindigt, dat zegt mijn moeder altijd!"
En Marie: "Ik denk dat er dingen kunnen gebeuren waar je geen verklaring voor hebt. Als het gebeurt moet je zeggen: ik weet het echt niet. Net als bij dat sleuteltje, hoe dat in die fietstas kwam".

"Weten jullie hoe het afliep met dat sleuteltje"vroeg dominee Geurs. "Het zat een hele tijd in de broekzak van Geert. Op een dag, op school bij het fietsenrek, stond het hoofd van de school aan zijn fiets te sjorren. Het zat aan een kabelslot vast, hij kon niet naar huis. Toen dacht Geert aan dat sleuteltje in zijn broekzak. Het paste, en na wat wringen ging het slot open! Zuiver toeval? Of moest het zo zijn, wie zal dat weten? Geert had moeite om te bewijzen dat hij geen grap had uitgehaald. Hij vertelde zijn verhaal van de eieren wel driemaal, en Marijke moest komen voordat het hoofd hem geloofde, want hij dacht: Geert schept weer eens op!.

"Had je nog iets, Marie", vroeg de dominee, "of ben je klaar?"
Ze dacht even, ze keek naar de grond. "Nee", zei ze, "nog dit misschien. Jeremia van wie ik het gebed moest lezen... Hij wist ook niet wat er ging gebeuren, hij was misschien wel bang. Maar dan zegt hij: wij kunnen onze wegen niet besturen. Ik denk dat hij zich daarmee heeft getroost..."

"Juist Marie", zei hij , "je moet je leven door God laten besturen, dan kom je goed uit".

Mijn grootmoeder, naar wie ik ben genoemd, had zoals heel vaak, het laatste woord. "Ik heb honderden, je duizenden door de gasovens zien gaan, ik alleen zit nog hier. Ik kwam goed uit, het hangslot ging voor mij open waar de Hemel de sleutel van had. Maar eerlijk gezegd schaam ik mij een beetje... Ik had graag mijn leven willen geven, als ik al die arme stakkerds had kunnen redden, kinderen ook, die er nu niet meer zijn. Ik weet door schade en schande dat ik door God ben gered, maar ik ben niet beter geweest dan al die anderen. Dat wilde ik toch even zeggen..."

Wij zongen een beetje schuchter: Wat God wil, dat geschiedt altijd, en daarmee is de dienst geëindigd.

Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be