Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

21 - De opstanding der doden in joods perspectief.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 21 van het kerkelijk jaar
1Korintiërs 15,42-55 • Daniël 12,1-13 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems

Wij willen nog even in de sfeer van Pasen en van de opstanding der doden blijven. Men zou kunnen denken dat de verrijzenis een typisch christelijk iets is. Dit blijkt echter niet het geval te zijn, wanneer men zich zeer breed oriënteert. De opstanding der doden is vooral geen anti-joods gegeven, dat een tegenstelling zou creëren tussen jodendom en christendom, wel integendeel. De resurrectie bindt juist joden en christenen aan elkaar. De manier waarop de jood Paulus, in onze eerste lezing, spreekt over de aard van het opstandingslichaam, maakt dit reeds duidelijk.

Wat blijft er over van de mens na zijn dood? Een zwaarwichtige vraag! Wat zegt de Hebreeuwse bijbel hierover? Het eerste en eenvoudigste antwoord dat men vinden kan, luidt, de mens leeft na zijn dood verder in zijn nakomelingen. Men leeft verder in zijn kinderen, in zijn nageslacht, of minder rechtstreeks in zijn familie en zijn vrienden. De profeet Jeremia (31,17) troost de lang overleden Rachel, die over haar kinderen weent. Zij zullen immers uit de ballingschap terugkeren naar het beloofde land. Zo leeft Rachel, over haar dood heen, verder met haar nageslacht.
Een ander antwoord uit de Schrift draait rond het begrip dodenrijk of sjeol (Hebreeuws) of Hades (Grieks). Men stelt dat na de dood een deel van de mens voortleeft, gescheiden van zijn lichaam. Het gaat om een soort schimmig schaduw-bestaan, in het dodenrijk of de onderwereld, met alle andere overledenen samen. Daar kan men God niet loven, want hij kan er niets meer doen (Jesaja 38,18). Het schimmige iets heeft de vorm van de vroeger levende mens, zodat de geest van Samuël opgeroepen kan worden door Saul (1Samuël 28). Er is voor hen allen geen hoop, geen verandering mogelijk, zij blijven in hun kleren en met de wonden die zij opliepen toen zij neerdaalden in de sjeol. In Job 7,7-9 vindt men de volgende beschrijving, bedenk toch, dat mijn leven een ademtocht is; mijn oog zal het goede niet weer zien...gelijk een wolk verdwijnt en wegdrijft, zo stijgt wie in het dodenrijk neerdaalt, niet weer op. Het is in dit leven, vóór de dood, dat de mens door God beloond of gestraft wordt voor zijn daden. Daarmee is het dan verder uit. Bij de Grieken en ook bij de Babyloniërs komt men dit zelfde beeld van de onderwereld tegen. Eenmaal in het troosteloze dodenrijk, geraakt men er niet meer uit. Men denke slechts aan Orpheus en zijn geliefde Eurydice of aan Gilgamesj en Enkidu.
Pas als dit alles gezegd is, treft men in de Heilige Schriften een derde antwoord aan, dat eindelijk te maken heeft met de opstanding der doden. Maar het is helemaal geen eenvoudige zaak. Allereerst wordt er namelijk over de verrijzenis gesproken als louter beeldspraak, als zuiver poëtische uitdrukkingsvorm, die verder niets te betekenen heeft. In verschillende tijden kan men dergelijke verzen vinden. In het lied van Mozes in Deuteronomium 32,39 leest men, Ik (God) dood en doe herleven, Ik wond en Ik genees. En in het lied van Hanna, 1Samuël 2,6 vindt men, JHWH doodt en doet herleven, Hij doet afdalen in het dodenrijk en eruit opkomen (vergelijk als vraag in de mond van de koning 2Koningen 5,7). Concreter kan men ook denken aan de wonderen van Elia en Elisa; ieder van beide wekt als dienaar van God een dode op, die uiteindelijk toch weer zal sterven. In andere dichtvormen wordt de ellende van de mens vergeleken met de dood en het dodenrijk, diep in de aarde (Psalm 30,4 71,20 onder meer), en verbetering in die toestand betekent dan het terugbrengen tot leven. Het danklied van koning Hizkia na zijn genezing, tekent mooi het verschil tussen het land der levenden en het dodenrijk (Jesaja 38,10v). Men kan tenslotte ook nog denken aan beeldende gedeelten als Ezechiël 37 de valei met doodsbeenderen, of Jona en de zee, of Jesaja 53,8v. De niet-joodse oudoosterse poëzie gebruikt dezelfde beelden en men kan dan ook vergelijkbare dingen lezen over Isjtar of Marduk. Isjtar moet slechts kijken en de dode wordt weer levend en de zieke richt zich weer op. Of elders, de Babyloniërs zagen hoe Marduk het leven teruggeeft, en alle wijken (van de stad) bezongen zijn grootheid...’Marduk kan tot het leven terugbrengen, uit het graf’ (1).
Nu dit duidelijk is, kan men de beslissende stap zetten, en zeggen dat er eigenlijk maar één enkele tekst is die duidelijk en ondubbelzinnig over de werkelijke opstanding der doden spreekt, namelijk Daniël 12,2v. Wij hebben het hele slothoofdstuk van Daniël gelezen. Daar wordt gesproken over de grote catastrofe van de eindtijd. De aartsengel Michaël zal het volk Israël redden. Dan zullen zij die in het stof begraven zijn, ontwaken. Dezen zullen verrijzen voor het eeuwige leven, en genen voor de eeuwige verwerping. Het boek Daniël speelt in de Seleucidische tijd, meer bepaald tijdens de regering van Antiochus IV Epifanes (175-164 v.Chr.). Deze wil het joodse volk met geweld helleniseren en hij vervolgt de getrouwe joden, die hopen op de uiteindelijke resurrectie. Die verwachting klinkt door het verhaal van het martelaarschap der zeven broers (2Makkabeeën 7,14 en 23). In die tijd komt men tot de bevinding dat de oudere theorie van beloning en straf in dit leven, niet meer opgaat. Vroeger zag men het echt collectief, de ballingschap of de welvaart van Israël hing af van de ontrouw of de trouw van het volk. Thans geeft de situatie echter een splitsing van het volk te zien. De rechtvaardigen worden gedood, en de afvalligen hebben het goed! Dit valt niet te harmoniseren met Gods gerechtigheid (theodicee). De beloning moet zo plaatsvinden na de dood en op deze aarde. Er is dus een opstanding der doden, die juist dit garandeert. In Jesaja 26,19 (zie ook vers 14) vindt men een vers over de wederopstanding en de dauw, dat misschien hetzelfde wil zeggen, en dat dan spreekt over een verrijzenis der rechtvaardigen.
Men kan zo besluiten dat, in de geschiedenis van Israël, het geloof in de opstanding der doden laat ontstaat. Het gaat om een rationele oplossing voor het probleem der theodicee, dat verwoord wordt in de apocalyptische litteratuur. Dit geloof is in het jodendom niet verbonden met mystiek of met riten die dit wederopstandingsleven moeten schenken. Dit maakt bijvoorbeeld het verschil uit met de Egyptische mummies, die men tot leven moet wekken, of met de mysterie- godsdiensten, en zo meer. Het jodendom blijft heel nuchter vertrouwen op God, zelfs in het tijdperk der vervolgingen.

De latere joodse rabbijnen nemen als het ware hun uitgangspunt in het Daniëlvers, en lezen van daar uit de echte opstanding der doden in alle bijbelverzen, waarin men beeldend over deze dingen spreekt. Op die manier staan deze denkers en geestelijke leiders van het volk positief tegenover de nieuwe ontwikkelingen in het godsdienstig denken. Men kan deze houding mooi aflezen uit de Misjna, Sanhedrin 10,1 waar staat, heel Israël heeft deel aan de toekomende eeuw... en dezen hebben geen deel aan de toekomende eeuw: Hij die zegt dat er geen opstanding der doden uit de Thora (af te leiden) valt, en... Dit betekent dat de joden die de opstanding der doden loochenen, alhoewel zij tot het uitverkoren volk behoren, toch geen deel hebben aan het Rijk Gods. Het afleiden uit de Thora, bedoelt wat wij zojuist aanstipten, en is met name gericht tegen de Sadduceeën die niet in de resurrectie geloofden, juist omdat zij die niet in de Thora vonden. Voor de farizees georiënteerde rabbijnen wordt de wederopstanding zo een essentieel geloofspunt, dat hen differentieert van de Sadduceeën, en dat doorwerkt in de hele rabbijnse traditie.
Een andere tekst die dit bewijst, is de tweede bede uit het achttien-gebed. Een vrome jood bidt dit gebed driemaal per dag, en men kan dus zeggen dat eigenlijk het hele jodendom uit deze bede leeft, tot vandaag toe. De oude versie van de bede uit het land Israël luidt, Gij (God) zijt een held...de sterke...de eeuwig levende, die de doden doet opstaan, die de levenden verzorgt, en de doden levend maakt... Gezegend zijt gij JHWH, die de doden levend maakt. Men kan het moeilijk duidelijker en meer alomvattend formuleren.
Men zou het rabbijnse denken over de opstanding der doden als volgt in vier punten kunnen samenvatten. Het gaat hierbij om zeer belangrijke gedachten, die ook voor christenen een uitstekende bron van inspiratie zijn, en het ook mogelijk moeten maken het Nieuwe Testament te verstaan. Allereerst functioneert voor de rabbijnen de resurrectie in het kader van het heil dat voor het hele volk Israël bestemd is. Aan dit heil zullen niet alleen de levenden, maar ook de overledenen deel hebben. Het individuele komt daarbij slechts in de tweede plaats. Bij de Grieken ging het juist wel om het individuele voortbestaan, het begrip verbondsvolk kenden zij niet. In de tweede plaats maakt de verrijzenis duidelijk dat lichaam en ziel één onafscheidelijk geheel vormen. Allebei zijn essentieel en evenwaardig. Zij moeten ook samen geoordeeld worden; zij kunnen de verantwoordelijkheid niet op elkaar afschuiven. Bij de Grieken ging het wel alleen om de onsterfelijke ziel. Ten derde betekent voor de rabbijnen de resurrectie nooit dat het leven van na de wederopstanding, de voorkeur krijgt boven het leven van nu. De komende volmaaktheid, verlamt het heden niet. Juist integendeel! Het heden is de voorbereidingskamer, waarin men zich gereed maakt, om straks te mogen aanliggen aan de feestmaaltijd (zie Misjna Avot 4,16). Hier moet men de geboden vervullen, de morele eis geldt nu. In de mysteriegodsdiensten bestaat dit alles juist niet. In de vierde plaats is het zo dat er bij de rabbijnen allerlei verschillen bestaan wat betreft de voorstelling van de eigenlijke verrijzenis. Dit geldt ook voor de voorstelling van het programma van het einde der tijden. Een soort doorsnee schema verloopt als volgt. In de periode tussen de dood van een mens en de Messiaanse tijd, wacht het lichaam in het graf en de ziel in het dodenrijk. Als eenmaal de Messiaanse tijd verschenen is, het tijdperk van verlossing op aarde, dan krijgen de dan levende mensen er deel aan, samen met de opgestane rechtvaardigen. Eerst na die tijd komt het laatste oordeel, met het oog waarop nu alle mensen verrijzen. Dezen zijn dan bestemd voor het paradijs, en genen voor de eeuwige straf.

We gaan nog even verder met het joodse verhaal van de wederopstanding der doden, want men zou kunnen denken dat het afgesloten is, en dat is niet waar. Eigenlijk zijn de dingen nooit afgesloten, omdat het leven zelf steeds verder gaat. In de Middeleeuwen stelde de grote joodse geleerde en geneesheer Maimonides (1135-1204) de dertien principes van het joodse geloof op. Deze geloofsbelijdenis wordt in de synagogen en thuis gebruikt en staat in de gebedenboeken. Artikel 12 heeft het over de komst van de Messias, en in artikel 13 leest men, ik geloof met een volkomen geloof dat er een opstanding der doden zal zijn, op het moment dat het de Schepper zal behagen... Dit is een klare en duidelijke belijdenis van de resurrectie. Maar merkwaardig genoeg schrijft Maimonides in zijn beroemdste werk (Misjne Tora, Tesjuva 8,2) in de komende wereld is er geen uiterlijk lichaam en geen innerlijk lichaam, alleen de zielen der rechtvaardigen zonder lichaam, zoals de dienstengelen... Dit is heel iets anders. Wat meent de grote man nu eigenlijk? Het blijft een ingewikkeld discussiepunt tot op heden.
En de discussie gaat ook verder tussen de joodse stromingen onderling. De Amerikaanse Reformbeweging - wij zouden deze misschien voor de verstaanbaarheid als modernistisch jodendom kunnen aanduiden - verwerpt de opstanding der doden, ten voordele van de onsterfelijkheid der ziel. De beweging heeft haar gebedenboeken aan deze overtuiging aangepast. Men ziet dus maar... 

Bron: Ds. G. Willems


Voetnoot

(1) Zie de teksten in, W.Beyerlin (ed.), Godsdienst-historisch Tekstboek rond het Oude Testament, Boxtel 1976, p.92v en 112v.


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be