Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 13 van het kerkelijk jaar
Lucas 16,19-31 • Amos 8,1-8 •
De verzen die wij gelezen hebben uit het boek van de profeet Amos vormen een vrij goede inleiding voor de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Amos heeft het op een omsluierde manier over het oordeel van God over Israël. Meer bepaald gaat het hier over de verhouding van rijken en armen. Wat de profeet aanklaagt is dat de rijke kooplieden de armen onrechtmatig uitzuigen en tot schuldslaven maken. God zal tussenbeide komen, want dat verdraagt hij niet. In de gelijkenis uit het Nieuwe Testament gaat het ook over rijk en arm, en over de gevolgen daarvan na de dood. Ook hier staat zo de oordeelsgedachte centraal. Waarom straft God, en waarom beloont hij?
Zeer merkwaardig is echter in het gedeelte uit het evangelie dat er uitvoerig gesproken wordt over hetgeen gebeurt na de dood. Normaal hebben zowel Jezus als de schrijvers van het Nieuwe Testament daar geen belangstelling voor. Zij vinden dit onderwerp blijkbaar rijkelijk speculatief en weinig belangrijk. Jezus heeft het in zijn gelijkenissen wel over het laatste oordeel, dat staat zeer centraal, maar praktisch nooit over hetgeen gebeurt na de dood. Hoe moeten wij dan het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus verstaan?
Eerst moet men opmerken dat Jezus’ gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, enkel voorkomt bij Lucas. De andere evangelisten hebben zelfs niets, dat er van verre op lijkt. Verder neemt men gewoonlijk aan dat Jezus voor zijn verhaal inspiratie heeft gevonden in het oude Egypte. Daar kent men een geschiedenis over de omkering van het lot der mensen in het hiernamaals. Wie het thans goed heeft, zal het in het dodenrijk slecht hebben, en wie het nu slecht heeft, zal het daar goed hebben. Met de nodige wijzigingen is het verhaal ook bekend uit de rabbijnse litteratuur. Jezus sluit dus opnieuw aan bij een bekend thema, en gaat daar nu eigen accenten in leggen.
De vraag die nu gesteld moet worden luidt: wat gebeurt er na de dood? De rijke man met dure kleren, die al maar feest viert, sterft. De arme, die ook nog ziek is, en aan de poort ligt om iets van het overschot te krijgen, sterft eveneens. Deze Lazarus wordt door engelen gebracht in de schoot van Abraham. Om de zonderlinge uitdrukking in de schoot van te begrijpen moet men denken aan een antiek banket waarbij men op sofa’s aanligt op de linker zij. Met in de schoot van wil men dan zeggen naast, maar aan de kant van de borst, vermits men op de linker arm steunt om met de rechter te eten. De aartsvader Abraham is de gastheer van het feest, en naast hem liggen in zijn schoot, is de meest eervolle plaats. Lazarus is dus niet alleen op het feest, hij is er ook de voornaamste gast van. Aan het oord waar de feestmaaltijd gehouden wordt zijn er kennelijk ook bronnen, zodat de arme zijn vinger in het koele water zou kunnen dopen. Misschien moet men wel denken aan de bron met het levenswater. Verder zegt de tekst dat Lazarus op de beschreven plaats vertroost wordt. Hij heeft immers op aarde veel geleden.
De rijke sterft en komt terecht in het dodenrijk, de Hades. Zoals het woord het zegt, bedoelde men oorspronkelijk met dodenrijk, of ook wel onderwereld, de plaats waar alle doden zonder onderscheid voorlopig naartoe gaan. Later gaan de slechten naar de hel, de Gehenna, en de goeden naar het paradijs. Ondertussen is het wel zo dat de rijke in het dodenrijk reeds gepijnigd wordt door vuur; hij heeft daardoor dorst en wenst dat zijn tong gekoeld zou worden. Kenmerkend is verder dat de plaats van de feestmaaltijd en die van de Hades, van elkaar gescheiden worden door een onoverkomelijke kloof. Men kan onmogelijk overgaan van de ene naar de andere. In één van beide terechtgekomen, kan er niet meer veranderd worden. Het is dan onherroepelijk te laat. Wel kan men blijkbaar de andere kant zien, en over en weer spreken.
Als men uit nieuwsgierigheid wat dieper wil graven dan datgene wat de gelijkenis vertelt, moet men toegeven dat de toestand van Lazarus en de rijke man, eigenlijk nog een voorlopige tussentoestand is, vóór het laatste oordeel. Dit wordt duidelijk wanneer men verneemt dat de broers van de rijke nog leven, en de algemene opstanding der doden nog niet heeft plaatsgevonden. Pas na het laatste oordeel worden de mensen definitief verdeeld over het paradijs aan de ene kant, en de hel aan de andere. Wel kan men besluiten dat het verhalende element in de gelijkenis vereist dat de situatie van Lazarus en de rijke man getekend wordt als vrijwel definitief.
Nu we weten wat er na de dood gebeurt, luidt de volgende vraag: hoe groot is de betekenis en het belang van de verrijzenis van een mens uit de dood? De laatste vijf verzen van het verhaal geven hierop een antwoord. De rijke zegt het heel mooi, en eigenlijk voelen wij wel zoals hij. Als de zaken voor hemzelf bekeken zijn, en er niets meer aan veranderd kan worden, tot daar dan toe. Maar laat Lazarus opstaan uit de dood en de vijf broers waarschuwen, zodat zij tenminste niet in de Hades terechtkomen. De rijke man is er heilig van overtuigd, indien iemand uit de doden naar hen toegaat, zullen zij zich bekeren. Lazarus zou dan getuigen van het bestaan van het feestmaal van Abraham en van het dodenrijk. Als opgestane zou hij tegelijk een levend bewijs zijn van het feit dat met de dood niet alles gedaan is. Deze hele redenering is ons ongetwijfeld als aan het lijf gegoten. Mochten wij een opgestane zien, zou dat niet alles veel makkelijk maken voor ons geloof en voor de prediking der kerken? Jezus’ gelijkenis is echter een heel andere mening toegedaan. Zij stelt dat zelfs wanneer iemand uit de doden opstaat, de mensen zich toch daardoor niet laten overtuigen. Of anders gezegd, volgens het Nieuwe Testament fungeert een opgestane niet als bewijs. Wij zouden geneigd zijn het tegenovergestelde te denken, maar wij vergissen ons blijkbaar. Wanneer de Lazarus van het Johannesevangelie uit de dood verrijst, is het niet zo dat daardoor allen in Jezus gaan geloven, maar dan radicaliseert dit gebeuren enkel de bestaande tegenstelling rond Jezus’ persoon (11,45-54). De opstanding van een dode bevestigt en versterkt het bestaande, maar creëert geen nieuwe situatie.
De gelijkenis stelt verder met grote nadruk dat de beslissingen vallen in de confrontatie van de mens met Mozes en de profeten, dit wil zeggen, met de Hebreeuwse bijbel. De tekst preciseert dit tweemaal. Deze vaststelling is van groot belang, want dit houdt in dat wij in onze tijd niet benadeeld zijn vergeleken met de tijdgenoten van Jezus. De beslissing moet steeds vallen door het antwoord dat men geeft op het getuigenis der Schriften. Zelfs een verrezene kan daar niets aan veranderen, toen niet en nu niet. Dit wordt bevestigd door Handelingen 10,40v waar gezegd wordt dat Jezus als opgestane niet verschijnt aan het hele volk, als een soort objectief bewijs van zijn functie, maar enkel aan degenen die reeds tevoren in hem geloofden. De verrijzenis kan enkel het bestaande geloof bevestigen, geen geloof schenken. De beslissing valt in het gesprek met de Schriften.
Tot slot een derde en laatste vraag over de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Wat is nu het eigenlijke doel van dit verhaal van Jezus? Wat wil dit gedeelte zeggen aan de toehoorders, aan de levende mensen? Wil het bekend maken dat na de dood de automatische omkering plaatsvindt van de toestand of het lot van de mens? Dit zou dan een boodschap zijn die enigszins aansluit bij die van het oorspronkelijke Egyptische verhaal. Vers 25 zou dit inderdaad kunnen doen geloven. Abraham zegt immers dat aan het goede nu, de pijn beantwoordt in het hiernamaals, en aan het kwade nu, de vertroosting dan. Zodat eigenlijk ieder mens op gelijke wijze voorspoed en tegenspoed zal kennen. Het is echter onvoorstelbaar dat Jezus een dergelijk automatisch determinisme zou prediken. Moest dit het geval zijn, dan zou de mens niets aan zijn lot kunnen veranderen, en dus in wezen niet verantwoordelijk zijn. Jezus wil duidelijk iets anders zeggen, maar om dit te ontdekken, moet men nog beter lezen dan wij tot hiertoe gedaan hebben. Jezus wil duidelijk maken dat de manier waarop men nu leeft, de toekomst in het hiernamaals bepaalt. En dit geldt zowel voor de rijken als voor de armen.
Lazarus is niet alleen arm, hij draagt vooral de naam Lazarus. Dit is geen gewone zaak, want het is de enige maal dat een personage uit de gelijkenissen een naam krijgt. Die naam betekent dus iets en bevat een geheim. De naam staat voor het wezen van de persoon. Lazarus komt van El-azar, wat betekent God helpt. De arme zieke man die aan de poort ligt, leeft uit de verwachting dat God helpt. Lazarus leeft met God. In de nood vertrouwt hij op hem. En dit vertrouwen in de God van Israël wordt niet beschaamd. De aard van de rijke man vatten is een beetje moeilijker. Hij is werkelijk schatrijk, maar bekommert zich duidelijk helemaal niet om de arme aan zijn poort. Hij bekommert zich ook helemaal niet om de God van Israël wiens geboden voorschrijven de armen te helpen. Behalve die uitdrukkelijke geboden kent het jodendom nog de hoger staande deugd van het aalmoezen geven (tsedaqa). Zo is Jezus’ discipel Judas verantwoordelijk voor de armen. Van deze dingen is bij de rijke geen sprake. Hij luistert in het geheel niet naar Mozes en de profeten. Dit alles betekent dat de arme een goede arme is, en de rijke een slechte rijke. Zij worden geoordeeld naar hun ethische kwaliteiten en niet naar hun rijk of arm zijn. De levenswijze en de verantwoordelijkheidszin van de mens bepalen wat er van hem wordt in het hiernamaals. Dat is Jezus’ boodschap. Doe dus het goede, om in de schoot van Abraham te mogen aanliggen. En als gij het goede niet doet, verander dan, eer het te laat is!
Men kan nog even doordenken over de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. De houding van de rijke man kan gezien worden als een waarschuwing aan het adres van onze westerse wereld. Wat doen wij voor de armen? In het verleden en voor een deel nog in het heden, lag de zorg voor hen op het niveau van de filantropie. Men hielp concreet van mens tot mens, de armen die men kende. Later, vooral in de steden, riep men organisaties in het leven die tot doel hadden voor de armen te zorgen. Het moest allemaal nogal zichtbaar gebeuren, en de armen moesten zich dikwijls extra vernederen, om de rijke filantropen een aureool te bezorgen.
Heden ten dage, en in de toekomst, moet het helemaal anders. De armoede neemt toe in onze welvarende maatschappij. De armen moeten een echt recht op hulp en bijstand krijgen. Gelukkig wordt daar heel wat aan gedaan via allerlei wetten, maar er kan nog veel verbeterd worden. Heel wat mensen vallen nog steeds buiten de veiligheidsnetten. De theoloog Helmut Gollwitzer betrekt de gelijkenis van Jezus graag op het rijke westen, en de arme landen van de wereld. Er moet een onvermijdelijke schaalvergroting komen, zegt hij. Wij moeten leren zorgen voor het verre, hier niet zichtbare. Hij spreekt over een noodzakelijke mentaliteitsverandering. Wij dienen de zelfzucht op te geven en op wereldniveau te denken. Gaat het christelijke westen Mozes en de profeten vergeten, en maar feest vieren, zonder de armen? Dan zal het tenslotte in de Hades terechtkomen!
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be