Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 16 van het kerkelijk jaar (veertigdagen)
Lucas 7,1-10 • Romeinen 10,1-17 •
Reeds bij een eerste, oppervlakkige lectuur van dit verhaal van Lucas wordt het duidelijk dat wij met een belangrijk relaas te doen hebben, waarin wij eigenlijk zelf een rol spelen. In de geschiedenis van de genezing van de slaaf van de honderdman gaat het onmiskenbaar over de joden, en over de niet-joden of de heidenen, en over hun respectievelijk geloof in Jezus. De houding van de paganisten tegenover Jezus’ optreden wordt centraal gesteld. Lucas heeft van het gebeuren een lang en zeer nauwkeurig uitgewerkt verhaal gemaakt. Bij Matteüs is het allemaal korter, en bij Johannes (4,46-54) heeft de geschiedenis een heel andere functie (1) . Het doel van het diepzinnige kunstwerkje van Lucas is evident, hij wil zeggen dat Christus ook voor ons, heidenen gekomen is! Maar hoe speelt de auteur het klaar om dit waar te maken?
Laat ons eerst stilstaan bij een aantal personages uit de geschiedenis. De hoofdrol wordt gespeeld door de honderdman, of om de Romeinse militaire titel te gebruiken de centurio. Zijn naam kennen we niet, maar het gaat om een lagere officier uit het leger. Hij voert in principe het bevel over honderd man. De officier kan moeilijk deel uitmaken van het Romeinse bezettingsleger, want hij woont duidelijk in Kafarnaüm. Nu ligt dit dorp vlak aan het meer van Galilea, in het gebied dat toebehoort aan Herodes Antipas. Herodes Antipas heeft geen Romeinse troepen onder zijn bevel, wel een eigen huurlingenlegertje dat dienst kan doen als hulptroepen voor de bezetter. Zo liggen er huurlingen in Kafarnaüm, omdat dit dorp zich vlak aan de grens bevindt van het gebied van Herodes Antipas. Aan de andere kant ligt het territorium van Filippus, zijn halfbroer. Het is mogelijk dat onze honderdman een Syriër is. Hoe dan ook, wij hebben ontegensprekelijk met een heiden te doen.
Het personage dat meespeelt zonder echt op het toneel te verschijnen is de slaaf van de honderdman. De slaaf is ziek, geen banaal griepje, maar een levensgevaarlijke ziekte. Hij ligt op sterven. De officier geeft veel om die slaaf, men preciseert niet waarom. Het is waarschijnlijk dat ook de zieke een heiden is. Joodse slaven bestaan ook wel, maar men probeert in die tijd via allerlei middelen hun voorkomen te reduceren.
Om uitleg vraagt ook de groep van de oudsten der joden. Wat moet men daaronder verstaan? De oudsten zullen wel leden zijn van de raad die de synagogale gemeenschap bestuurt, dit lijkt de meest voor de hand liggende verklaring. Men kan deze oudsten dan enigszins vergelijken met de ouderlingen in een traditionele protestantse kerkgemeenschap. Maar men zou het eventueel ook ruimer kunnen nemen en zeggen dat het gaat om leiders van het hele joodse dorp Kafarnaüm. Oude mannen worden wijs geacht, en bekwaam om een gemeenschap te besturen. Deze representanten van de joden geven een beschrijving van de heidense honderdman. Zij getuigen, ten eerste, dat hij het volk Israël liefheeft, en, ten tweede, dat hij de synagoge voor hen gebouwd heeft. Dit is een uitermate positief getuigenis. Het komt in de Oudheid wel meer voor dat paganisten, uit sympathie voor het jodendom, een deel van de kosten voor de bouw van een synagoge, op zich nemen. Talrijke inscripties op bouwstenen, of in de cartouches van mozaïekvloeren, getuigen daarvan. Buitengewoon lijkt hier dat de officier blijkbaar alleen de zaak gefinancierd heeft. De gedeeltelijk gereconstrueerde synagoge van Kafarnaüm, in prachtig witte steen, die men heden nog kan bewonderen, dateert waarschijnlijk uit het einde van de vierde eeuw (zo althans S. Loffreda). Het gebouw uit de tijd van onze honderdman zit onder de witte synagoge. Het moet een kleiner en eenvoudiger bouwwerk geweest zijn, opgetrokken in goedkopere lokale zwarte basaltsteen. De zeer joden vriendelijke houding van de officier, duidt er waarschijnlijk op dat hij gerekend moet worden tot de zogenaamde vereerders van God. Dit waren paganisten die de God van Israël vereerden, zonder evenwel volledig tot het jodendom over te gaan, zoals de proselieten.
Hoe verloopt nu de actie van het verhaal? De honderdman stuurt achtereenvolgens twee gezantschappen naar Jezus, om de genezing van zijn slaaf te vragen. Eerst enkele oudsten der joden, die er bij Jezus op aandringen om te helpen, daar de officier het waard is. Wij hebben het hierover gehad. Terwijl Jezus naar de woning onderweg is, komt het tweede gezantschap, dat der vrienden van de militair. Deze mensen lijken te zijn zoals de hoofdman zelf, heidenen. Zij staan heel dicht bij hem en kennen hem nog beter dan de oudsten. Hun boodschap is daardoor vertrouwelijker, intiemer. Eigenlijk moet men zeggen dat hun band met hem zo nauw is, dat de honderdman zelf, door de mond van zijn vrienden, tot Jezus spreekt.
Het wonderlijke blijft echter in het verhaal van Lucas dat de officier nergens zelf contact met Jezus heeft. Bij Matteüs en Johannes heeft hij dit wel, hij spreekt met Jezus. Men kan dus de vraag stellen of onze militair zich soms te voornaam en te verheven voelt om naar een gewone man, die ook nog jood is, te gaan. Is de honderdman hoogmoedig? Neen, integendeel! Onrechtstreeks zegt hij het zelf ik ben niet waard dat gij onder mijn dak komt. Vergeleken met Jezus ziet hij zichzelf als onwaardig. Hij beschouwt zichzelf als de mindere en heeft grote bewondering voor de man van Nazaret. Hier spelen zeker niet alleen persoonlijke, algemeen menselijke motieven, maar heeft men ook opnieuw te maken met de tegenstelling tussen joden en niet-joden. Voor het volk Israël is een van de bronnen van cultische onreinheid de afgoderij, wat betekent dat paganisten in bepaalde mate onrein zijn. Deze onreinheid geldt nog meer voor de woningen der heidenen, wat hier aangegeven wordt met het woordje dak. De honderdman wil niet dat Jezus zich verontreinigd door in zijn huis te komen bij de stervende slaaf (zie hierover Johannes 18,28 en Handelingen 10,28 11,3). De officier erkent en aanvaardt het unieke van Israël en zijn God. Zijn heidendom staat veel lager en is minderwaardig.
Daarbij komt nog de andere uitlating van de militair spreek een woord en mijn dienaar moet genezen. Met dit woord, bedoelt hij eigenlijk een bevel, zoals dit gangbaar is in het leger, maar ook in huis met de slaven. De honderdman vertrouwt er dus op dat een bevelend woord van Jezus zijn doel niet zal missen. Zo een woord bewerkt wat het zegt. Bij een dergelijk krachtwoord hoeft Jezus niet tegenwoordig te zijn. Hij kan het van op afstand spreken. De militair vertrouwt erop, hij gelooft. De bevelende officier weet zeker dat Jezus de ware bevelhebber is. Hij kan daarom als onwaardige thuis blijven... En zonder dat de tekst het verder vermeldt, spreekt Jezus het bevelende woord, en vinden de vrienden even later in de woning een genezen slaaf.
Wanneer men over dit verhaal van de honderdman van Kafarnaüm gaat mediteren, dan moet men in de geest van Lucas zeker zeggen, die officier, dat zijn wij. Als niet-joden en paganisten dienen wij ons aan hem te spiegelen. Hij is de ideale heiden. Zo moeten wij zijn, of zo moeten wij worden. Hij is ons voorbeeld.
Over de honderdman getuigen de anderen, hij is waardig. Dat zou men eigenlijk over alle christenen moeten kunnen zeggen. Zij zijn waardig, zij dwingen achting en eerbied af vanwege hun onvoorwaardelijke inzet voor Christus. En die inzet voor hun Heer, weerspiegelt zich in hun inzet voor de mensenwereld. In hun persoonlijk leven en hun omgang met anderen, zijn die christenen oprecht en hartelijk. Op het kerkelijk niveau, zijn zij een en al toewijding voor hun plaatselijke gemeenschap, en voor de initiatieven die ervan uitgaan. Op het bredere maatschappelijke vlak, proberen zij steeds weer het recht voor allen, en de zorg voor de minstbedeelden te laten zegevieren. Zij doen dat alles niet om op te vallen, noch om in de media te komen, of voor de show. Neen, daar geven zij niet om. Zij doen het enkel uit echte innerlijke overtuiging, en dat valt op. Hun levenswijze wordt zo tot een authentiek getuigenis. Zijn wij dergelijke waardige volgelingen van de honderdman?
De officier zelf getuigt heel anders over zichzelf, hij zegt ik ben onwaardig. Christenen moeten van zichzelf weten dat hun doen slechts een pogen is, de volmaaktheid wordt nooit bereikt. Het belijden van de eigen onwaardigheid, houdt in dat men zich niet kan aanstellen. Men kan niet hoog van de toren blazen, over de eigen prestaties. De star-mentaliteit is onmogelijk. Vergeleken bij Gods daden voor ons, improviseren wij maar wat. Hoe meer wij van God verstaan, des te scherper zien wij ons eigen tekort schieten.
Het derde dat men moet aanstippen bij de honderdman is zijn vertrouwen op het woord van de afwezige Jezus. Volgens het verhaal heeft de officier Jezus niet gezien, noch ontmoet. Dit is uitgerekend ook onze situatie, als niet-tijdgenoten van de Christus. Wij kunnen hem nooit in levende lijve bezig zien, hoe graag wij dat ook zouden willen. Maar dat is blijkens de honderdman niet nodig. Het vertrouwen op het woord van de Heer volstaat. De eigen onwaardigheid voert niet tot wanhoop, maar juist tot geloof in Jezus’ woord. Dit Woord alléén moet ons genoeg zijn, tot de jongste dag!
Men heeft in de christelijke Kerk van alle tijden, gelukkig oog gehad voor deze exemplarische functie van onze militair. Sinds de tiende eeuw gebruikt men her en der, en op verschillende wijzen, de uitspraak van onze honderdman, als gebed in de liturgie. Zijn bede krijgt een plaats even voor het nuttigen van het brood en de wijn bij het Avondmaal. Zo vindt men tegenwoordig dit prachtige zinnetje in praktisch alle kerken, bij de viering van de eucharistie. Het gebed overstijgt alle traditionele scheidingen en is echt oecumenisch. Ook de geest zelf van het gebed is oecumenisch, en men zou kunnen zeggen dat, indien de christenen dit gebed intenser gebeden hadden, de verdeeldheid tussen de kerken nooit een kans zou gekregen hebben. Alle scheuringen zijn toch enkel op hoogmoed gebouwd? Gelukkig klinkt het desondanks op het hoogtepunt van de liturgie bij de Ethiopiërs, de Byzantijnen, de Romeinen, de Anglicanen, de Protestanten... Heer, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord, en mijn ziel zal genezen worden (Westerse versie).
Het laatste woord komt aan de Heer toe. De aardse taak en opdracht van Jezus beperkt zich tot de joden, juist zoals hij zelf jood is. Hier en daar wordt in de evangeliën dit schema even doorbroken. Later ziet men daar tekenen in, die naar de toekomst wijzen. Die toekomst betekent concreet, de zending der joodse volgelingen van Jezus, onder de heidenen. Denken wij maar aan het boek Handelingen (hoofdstuk 10) en aan de Romeinse centurio Cornelius. Er is in dit alles een bijbelse orde der verkiezing, eerst Israël, dan de paganisten (zie Romeinen 9-11). Zo zijn wij erbij betrokken.
Bron: Ds. G. Willems
Voetnoot
(1) De heel eigen bedoeling van de parallel bij Johannes wordt uitvoerig verklaard in, Gerard F. Willems, Jezus en de Chassidim van zijn dagen, een godsdiensthistorische ontdekking, Baarn 1996, p.191v.
Franstalige versie: protestanet.be