Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 33 van het kerkelijk jaar
Genesis 11,1-9 • Handelingen 1,4-14 •
Het beroemde verhaal van de toren van Babel heeft te maken met een stad, een beroemde stad. Men zou dit in onze tijd het beste kunnen vergelijken met bijvoorbeeld Parijs. Parijs is een stad en tegelijk veel meer dan een stad. Parijs symboliseert en representeert heel Frankrijk, en misschien nog meer de hele Franse cultuur. De Franse manier van zijn, van leven en denken, het zit allemaal in de notie Parijs. Men zou even goed aan New York kunnen denken, dat de Verenigde Staten vertegenwoordigt, en de hele American way of life. Deze steden verheffen zich tegelijk boven het naamloze platteland, of boven alle kleinere plaatsen. Zo een stad heeft iets zelfbewusts, iets fiers, iets trots. Men kan zelfs spreken van heerszucht, wanneer men let op de geschiedenis die de stad gemaakt heeft tot wat ze is.
Ook bij Babel moet men aan al deze dingen denken. Babel is de trotse hoofdstad van het Babylonische rijk. Dank zij de opgravingen kennen wij vooral het Babel uit de tijd van Nebukadnessar (604-562 v.Chr.), de man die Jeruzalem veroverde, zeer goed. De stad, die aan de Eufraat lag, was omringd door een kolossale muur van 18 km lengte. Het was daarmee de grootste vesting die de Oudheid tot die tijd had aanschouwd. Een brede brug liep over de Eufraat en verbond het oude en het nieuwe stadsdeel. Wanneer men van de noordelijke zijde van de stad, via de hoofdpoort, Babel binnenkwam, dan liep men eerst langs de koninklijke paleizen, en ging dan de stadspoort door. Men bevond zich daarna op een brede processieweg die voerde naar het heilige gebied van de hoofdgod Marduk, dat aan de rechterkant van deze brede straat lag. De bewuste stadspoort kan men thans opnieuw bewonderen in het Pergamum museum te Berlijn. Het is de beroemde Isjtar poort. De buitenkant is helemaal bekleed met donkerblauwe geglazuurde tegels. Op die donkere achtergrond verschijnen met regelmatige tussenpozen allerlei dierenfiguren vooral in oranjebruine tinten, schitterend! Wanneer men dit meesterwerk van de Babylonische cultuur eenmaal gezien heeft, kan men het nooit meer vergeten. Babel, een fiere stad, van een groot en machtig rijk!
Wanneer de Heilige Schriften het in Genesis 11 over de toren van deze stad hebben, dan doen zij eigenlijk aan cultuurfilosofie en cultuurkritiek. Vanuit haar eigen religieus standpunt, denkt de Schrift kritisch na over zin en onzin van de samenleving, die zich concretiseert in Babel en zijn toren. De kritiek die zo op de wereldstad geleverd wordt, is ongelofelijk actueel. Men zou denken dat men te maken heeft met onze tijd en met onze staten en hun machtsstreven. Genesis 11 kan zo een uitstekende inspiratiebron voor ons zijn. De fundamentele vraag van de Hebreeuwse bijbel luidt: hoe staat Babel tegenover God?
Het verhaal van de torenbouw geeft een antwoord dat voor een moderne lezer niet direct duidelijk is. Als diepste motivatie voor hun onderneming zeggen de bouwers tot elkaar, laten wij ons een naam maken. Dit betekent dat zij over de hele aarde bekend willen worden, door hun stad en vooral door hun toren. Het gaat om een eenheidsstreven dat moet resulteren in de eigen naam, in eigen prestige en roem. De bijbelse uitdrukking, zich een naam maken, wordt eigenlijk alleen van God zelf gebruikt, en de grote daden die hij voor zijn volk Israël doet. Als voorbeeld zou men Jeremia 32,20 kunnen aanhalen, waar gezegd wordt dat God zich een naam heeft gemaakt onder Israël en de mensheid, door zijn daden die verband houden met de uittocht uit Egypte. Wanneer nu mensen deze uitdrukking op zichzelf betrekken, dan komt het erop neer dat zij zichzelf vergoden. Deze mensen erkennen de God van Israël niet, en willen zichzelf op de goddelijke troon plaatsen, op grond van hun daden, dit wil zeggen de bouw van stad en toren. Voor de theologische kritiek van Genesis, is de toren de uitdrukking van menselijke zelfvergoding, of afgoderij.
De dag van vandaag kunnen de archeologen deze afgoderij op een andere wijze toelichten. De naam Babel moet oorspronkelijk zoiets betekend hebben als poort der goden, een uitgesproken religieus begrip. Door de reeds genoemde opgravingen, weten wij dat de toren zich in het heilige gebied van de stad bevond. Deze zogenaamde toren, die Etemenanki heette, was eigenlijk een tempeltoren die uit opeenvolgende kleiner wordende terrassen was opgebouwd. De basis van het gigantische bouwwerk mat ongeveer 90 x 90 m en de hoogte bedroeg eveneens 90 m. Op het hoogste terras stond een tempel van Marduk, de oppergod van de stad en het rijk. Volgens bepaalde bronnen had tijdens het nieuwjaarsfeest in die tempel het heilig huwelijk plaats tussen de god en zijn gemalin. Dit gebeuren moest voor het nieuwe jaar vruchtbaarheid geven aan het hele land. Stad en toren vormden dus wel degelijk een religieus symbool.
Voor het joodse denken kan het woordje naam ook God betekenen. Naam is dan een eufemistische aanduiding van de eigennaam van God. Zich een naam maken kan dan betekenen zich een eigen god maken, tegen JHWH in. De torenbouw wordt zo ervaren als een echte hemelbestorming gericht tegen de God van Israël. Joodse verhalen (1) zetten deze interpretatie duidelijk in de verf. Zo vertelt men dat van tijd tot tijd van op de bouwwerf bovenop de toren pijlen naar de hemel werden afgeschoten. Na enige tijd vielen de pijlen bebloed terug. Triomfantelijk riepen de bouwers dan uit: Wij hebben allen die in de hemel wonen gedood! Zij bedoelden daarmee God en zijn engelen. In een ander verhaal verneemt men dat een deel der bouwers zijn afgoden in de hemel wilde plaatsen en hen daar vereren. Dus moest God van daar weg, om voor hen de plaats te ruimen... Dit alles over de vraag naar de verhouding van Babel en God.
Hoe staat Babel nu echter tegenover de mensen? In de moderne filosofie meent men nogal eens dat de mens pas echt vrij kan zijn, als God niet bestaat. Men mag pas ten volle van mensenrechten spreken, wanneer er geen God is die deze rechten beperkt in zijn voordeel. De Heilige Schrift denkt uiteraard heel anders over deze dingen. Zij ziet God juist als de waarborg, de garant van de ware menselijkheid. Het is immers God zelf die de Thora aan de mensen gegeven heeft, en in en door die Thora wordt de mens beschermd, en wordt zijn vrijheid gegarandeerd. Omgekeerd betekent in het geval van Babel valse godsdienst, valse mensendienst. Er heerst in Babel een schrijnende ontmenselijking, de mens wordt er tot object verlaagd, omdat er geen ware godsdienst leeft. Alles moet onvoorwaardelijk het grote torenproject dienen. Denken wij maar aan het meedogenloze Babylonische slavensysteem.
Het zijn opnieuw joodse verhalen die dit zeer fantasierijk duidelijk maken, en zo alle totalitaire regimes radicaal aan de kaak stellen. De bouwactiviteit aan de toren was zo koortsachtig, vertelt men, dat een vrouw die stenen maakte, haar werk niet mocht onderbreken om haar kind ter wereld te brengen. Zij baarde ter plaatse en na de geboorte moest zij haar kind op de rug binden en verder stenen maken. Of misschien nog schrijnender is een andere legende. Toen de toren zo hoog was dat het één jaar duurde voordat men van beneden de top bereikte, toen was een baksteen meer waard dan een mensenleven. Wanneer een van de bouwvakkers door een ongeluk van helemaal boven naar beneden viel, nam niemand daar nota van. Maar wanneer een steen naar beneden viel, dan weende iedereen, want het zou een heel jaar duren eer de steen weer boven was...
Het verhaal van de toren van Babel besluit met het ingrijpen van God. Hoe moet men dit handelen van God interpreteren? Eerst en vooral hebben wij te maken met het oordeel van God. Hij beoordeelt het doen en laten der Babyloniërs en keurt het af. Dit veroordelen verschilt echter totaal van dat in het zondvloed verhaal. Tegen de eenheid in het boze van de torenbouwers, grijpt God in, maar zijn ingreep is geen vernietiging. Het is een soort noodmaatregel. Het kwaad wordt niet tenietgedaan, maar door de spraakverwarring, wordt het boze in zijn groei en ontwikkeling afgeremd. God belet het boze te ver te gaan, hij beperkt het, dat is zijn oordeel. Volgens de bijbelschrijvers betekent Babel dan ook verwarring (van de spraak). God volgt eigenlijk het recept van Julius Caesar, divide et impera, verdeel en heers. Hij verdeelt de mensen om hun boosheid in te tomen.
Dit uiterst merkwaardige oordeel Gods verraad iets heel anders, namelijk Gods barmhartigheid en genade. Het oordeel komt nooit alleen, maar wordt steeds begeleid door de genade. Het is belangrijk om bij dit tweede aspect nadrukkelijk stil te staan. God beschermt hier feitelijk de mens tegen het al te boze in hemzelf. Aan elk totalitair systeem, dat zichzelf vergoodt en de mensen tot voorwerpen verlaagt, komt een einde. Zijn eendracht in het boze wordt gebroken. God waakt erover dat een relatieve wereldorde ononderbroken doorgaat. Binnen zekere limieten kunnen de mensen, als mensen voortleven. Dit was een van Gods genadige toezeggingen bij het einde van de zondvloed, toen hij zijn verbond met Noach sloot (Genesis 8,22). Hier wordt deze belofte reeds realiteit. Anderzijds bewijst God zijn barmhartigheid rechtstreeks aan de bouwers. Zij worden niet massaal gedood zoals bij de gruwelijke zondvloed. Zij mogen genadig voortleven, maar op een andere plaats. Zij worden verstrooid over de aarde. Ook hierin wordt een belofte aan Noach werkelijkheid, namelijk dat God de mensheid niet meer zal verdelgen (Genesis 8,21 en 9,11). Dit maakt eveneens deel uit van het verbond met Noach, de vader van de huidige mensheid. Noach staat nadrukkelijk voor de hedendaagse wereld, in het denken van de Schrift. Ook nu weer gaan joodse verhalen nog een stapje verder, en zeggen dat God uiteindelijk toch wel van de torenbouwers hield. Hij stond namelijk, ondanks alles, vol bewondering voor de vrede en de harmonie die in het eenheidsstreven der Babyloniërs aanwezig was. Dit alles maakt op buitengewone wijze duidelijk hoezeer de God van Israël aan zijn mensheid verknocht is. Een hoopvol geluid in dit oordeelsverhaal.
Men zou natuurlijk ook - bij het mediteren over het verhaal van de toren van Babel - boven de huidige bedeling uit, kunnen denken aan de eindtijd. Onze tweede lezing doet dit in zekere zin. Aan het einde der tijden zal het gaan om het allerlaatste oordeel Gods, maar tevens om het neerdalen van de Zoon des mensen, en om het herstellen van de eenheid onder de mensen door een nieuwe taal. De laatste twee dingen, fungeren duidelijk als tegenpolen van ons verhaal. Tenslotte zal Gods koningschap de bewogen geschiedenis der mensen, met al haar autoritaire wereldrijken, voor goed aflossen.
Bron: Ds. G. Willems
(1) Men kan de verhalen weer vinden in Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Philadelphia 1909-1938, deel 1 p.179v.
Franstalige versie: protestanet.be