Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 14 van het kerkelijk jaar (veertigdagen)
Lucas 9,28-36 • Exodus 24,12-18 & 34,29-35 •
Het verhaal van de verheerlijking op de berg, ook wel genoemd de gedaanteverandering (transfiguratie), heeft een zeer centrale plaats in de evangeliën. Er komt immers iets van Jezus’ betekenis en functie in tot uiting, zijn goed bewaarde geheim wordt even openbaar. Aan de andere kant is de geschiedenis echt exceptioneel, daar men eigenlijk niet goed weet hoe men zich het vertelde moet voorstellen. Het hele stuk werkt hierdoor fascinerend, en de Oosters Orthodoxe kerken hebben dan ook een prachtige icoon van het Schriftgedeelte gemaakt. Een van de oudste exemplaren ervan kan men bewonderen in het beroemde Sint-Catharina klooster aan de Sinai. Op de icoon ziet men onderaan, juist beneden de top van een berg, drie neergehurkte of knielende figuren, Petrus en Jakobus en de jonge Johannes in het midden. Zij wijzen naar het gebeuren of mediteren. Boven hen, op de top van de berg, staan languit drie andere figuren. Rechts, een jonge baardeloze Mozes, met de stenen wetstafelen in een arm. Links, een harige en oude profeet Elia. In het midden, met de voeten die eigenlijk lichtjes boven de bergtop zweven, de verheerlijkte Heer. Zoals alle andere figuren draagt hij een aureool, maar hij alleen staat ook nog voluit in een ovale goud-lichtende mandorla. Het felle licht van de mandorla schiet kruisgewijs en overhoeks naar de drie discipelen en naar Elia en Mozes. Mooi, sober, en indrukwekkend!
Om de diepzinnige tekst van de evangelist Lucas goed te verstaan, moet men letten op het schijnbaar onbeduidende eerste vers van ons gedeelte. De geleerde kerkvader Origenes (gestorven 254) merkt op dat zes dagen herinneren aan de scheppingsdagen en zo de huidige wereld symboliseren, de dagen erna slaan dan op hetgeen na deze wereld gebeurt. De transfiguratie en de berg stellen zo het Koninkrijk van God voor (1). Wij zouden het niet op deze manier willen zeggen, maar Origenes heeft gelijk wanneer hij achter de woorden iets bijzonders zoekt. De achtste dag is een technische aanduiding voor de zondag, die tevens de dag van Gods Rijk is, en van bijzondere openbaringen (Johannes 20,26 Openbaring 1,10). De berg wordt traditioneel geïdentificeerd met de Tabor in Galilea. Men heeft in het verhaal echter te maken met een geestelijke openbaringsberg, en dat kan de onbekende Tabor niet zijn, wel de Sinai van Mozes en Elia. Wij hebben hier dus te maken met een speciale openbaringstijd en met een speciale openbaringsplaats.
Maar men moet ongetwijfeld nog een stap verder gaan. Het verhaal van 3+1 mannen die een openbaring krijgen, doet sterk denken aan hetgeen de joodse litteratuur vertelt over 3+1 rabbijnen, die opstijgen naar het paradijs (Tosefta Chagiga 2,3v). Men heeft daar te doen met geheime mystieke oefeningen, misschien in groep beoefend, die tot doel hebben God te aanschouwen in de hemel. Het verhaal vertelt dat enkel rabbi Aqiva (gestorven in 135) in vrede opstijgt en in vrede neerdaalt, en zonder kwade gevolgen verder leeft. De drie anderen sterven of worden krankzinnig. Onze geschiedenis van de transfiguratie, heeft het waarschijnlijk ook over esoterische mystieke oefeningen, waar een voorbereidingsperiode van zeven dagen, met vasten en bidden, deel van uitmaakt. Pas op de achtste dag komt de mystieke reis naar de Sinai, en de ontmoeting met Mozes en Elia, en tenslotte met God zelf. Achteraf mag over deze ervaringen niets verteld worden. Op gelijke wijze hoorden wij in de lezing uit Exodus, dat Mozes pas op de sabbat, na zes dagen van voorbereiding, God ontmoet.
In ons gedeelte spreekt de verheerlijkte Jezus, met stralend wit gelaat en kleren, met Mozes en Elia. Hoe kan dit? Wat betekent dit? Waarom die twee? Het eerste wat men hierover moet zeggen is dat Mozes en Elia niet gestorven zijn zoals alle andere mensen. Over Mozes wordt wel gezegd dat hij sterft op de berg Nebo en dat God hem begraaft, maar er wordt aan toegevoegd dat niemand de plaats van zijn graf kent (Deuteronomium 34,5v). Is hij dan misschien niet echt gestorven en heeft God hem soms enkel verborgen? Elia sterft helemaal niet, maar wordt in een vurige wagen met paarden ten hemel gevoerd (2Koningen 2,11v). Daarbij komt dat beide mannen profeet genoemd worden en dat men blijkbaar hun wederkomst aan het einde der tijden kan verwachten. Over Mozes wordt dit, weliswaar op een raadselachtige manier, gezegd in Deuteronomium 18,15. Over Elia vindt men dit zeer duidelijk in de laatste verzen van het boek Maleachi. Wanneer in de geschiedenis van de transfiguratie Mozes en Elia zo verschijnen, dan betekent dit dat het einde der tijden komende is.
In de tweede plaats dient opgemerkt dat de figuren van Mozes en Elia, de eerste twee afdelingen van de Hebreeuwse bijbel afsluiten. De profeet Mozes, die in Gods naam aan Israël de wetten heeft gegeven, sluit de Thora af aan het einde van Deuteronomium. De profeet Elia, van zijn kant, duikt geheel onverwacht op aan het einde van Maleachi, en sluit zo de Profeten of Neviim af, de tweede afdeling van de joodse Schrift. Met Mozes en Elia spreken, betekent dan met de Thora en de Neviim praten, of dialogiseren met de belangrijkste delen van de Hebreeuwse Schrift. Met hen van gedachten wisselen is uiteindelijk praten met God over zijn bedoelingen met Israël en de wereld, over de uiteindelijke zin van alle dingen. Waar gaat het allemaal naartoe? En meer bepaald, welke rol speelt Jezus daarin?
Ten derde symboliseert de berg Sinai het verbond van God met zijn volk Israël. Maar Mozes en Elia op die berg symboliseren tegelijk ook de breuk van dit verbond, en het gevaar dat hieruit voortvloeit voor de profeet en middelaar. Bij Mozes moet men denken aan hetgeen gebeurt tussen de twee lezingen uit Exodus in, namelijk het voorval met het gouden kalf. Dit doet Mozes’ gezag wankelen en brengt hem in gevaar. Bij Elia is het zo, dat hij uit puur levensgevaar naar de Sinai vlucht, om er zijn beklag bij God te doen. Het volk heeft het verbond verbroken en zoekt alle profeten uit te roeien, ook hem (1Koningen 19,10 & 14).
In de vierde en laatste plaats, zijn de beide profeten uiteindelijk verbonden met het heil van het volk Israël. Mozes is dit als leider van de eschatologische uittocht uit de slavernij. Elia is de aankondiger van het Rijk Gods, die vooraf alles in orde komt maken. Globaal genomen symboliseren de beide mannen hier de uittocht en het beloofde land van de eindtijd!
De volgende vraag luidt, waarover spreekt Jezus met Mozes en Elia? Wat is het brandende probleem dat hen samen bezighoudt? De tekst zegt: over zijn uitgang (exodos), die hij te Jeruzalem zou volbrengen. Het zinnetje komt alleen bij Lucas voor en bevat een woordspeling, die voor ons perfect verstaanbaar is, op het Griekse woord exodos. Maar wij moeten eerst aandacht schenken aan het begrip Jeruzalem. Volgens de evangeliën speelt het eerste deel van Jezus’ leven zich in hoofdzaak af in Galilea. Het kortere tweede deel draait rond de stad Jeruzalem. Bij Lucas vindt de overgang plaats in 9,51; vanaf dat ogenblik is Jezus volledig op de hoofdstad gericht. Wat zal deze hem brengen? De erkenning en het aanvaarden van zijn goddelijke opdracht? En zo dan de triomf in het joodse land en de hele joodse wereld? In een merkwaardig vers uit het Lucasevangelie (13,33) stelt Jezus vast dat een profeet in Jeruzalem moet omkomen. Jeruzalem voorspelt dus weinig goeds voor hem.
Het woordje exodos betekent uitgang, uitweg, uittocht, en kan gebruikt worden als een eufemisme voor de dood. Het uitgaan uit het leven betekent sterven. Deze zin heeft het woord hier ongetwijfeld. Jezus spreekt dus met Mozes en Elia over zijn dood te Jeruzalem. Moet die dood wel, en zo ja, wat is de zin ervan? De tekst geeft niet meer uitleg, maar het levensgevaar van Mozes en Elia dat verband houdt met verbondsbreuk van de kant van de mensen, heeft hier alles mee te maken. Er is verder een kleine kans dat het woord exodos ook zinspeelt op Jezus’ opstanding en hemelvaart (zie 9,51).
Het woord exodos kan echter tegelijk slaan op de uittocht uit Egypte, juist zoals de naam van het bijbelboek Exodus. Hier spreekt Jezus dan niet over de uittocht uit het verleden, maar over de komende uittocht van de Messiaanse tijd. Mozes en Elia als terugkerende figuren, kunnen allerlei vertellen over de bevrijding uit het verleden en de bevrijding van de toekomst. De Messiaanse uittocht zal blijkbaar door Jezus zelf geleid worden. Hij zal het volk verlossen uit het land, en het tijdperk, van dood en zonde. Hij zal het voeren naar de Messiaanse tijd en het Rijk van God. Of om het kort te zeggen met de beide betekenissen van exodos, de dood van Jezus te Jeruzalem, betekent het heil van het volk, de bevrijding uit de slavernij. Dit is de weg die hij moet gaan. In navolging van Mozes en Elia. Volgens de Schriften. Een andere weg is er niet.
Nog een laatste punt vraagt onze aandacht, in dit verhaal van Jezus’ verheerlijking op de berg. Jezus overlegt met Mozes en Elia, en samen komen zij tot een besluit. Maar waar is God in dit alles? Laat hij de mensen zo maar doen, of dwingt hij hen op despotische wijze in een bepaalde richting?... Eens te meer heeft de apostel Petrus niets van het gebeuren begrepen. Petrus is eigenlijk een triomfalist, hij houdt van de glorie en de glitter. Hij wil met drie tenten, de drie verheerlijkte figuren vasthouden, hij wil er een show van maken voor tijd en eeuwigheid. Petrus is echt een kind van onze tijd. Hij wil niets weten van Jezus’ gaan naar de dood (zie Marcus 8,32v). Op dat ogenblik grijpt God in. Hij verschijnt in een wolk, juist zoals bij Mozes op de Sinai. En de stem uit de wolk zegt tot de discipelen, hoort naar hem. Hoort naar Jezus, hij heeft het bij het rechte eind. Luistert niet naar de onzin van Petrus. De stem van God neemt het op voor Jezus, tegen Petrus. De stem spreekt niet tot Jezus zelf, want die heeft het goed begrepen, maar tot de discipelen, die dreigen af te dwalen door Petrus’ opmerkingen.
De stem uit de wolk zegt verder, deze is mijn Zoon, de uitverkorene. Deze uitspraak lijkt sterk op de hemelse stem bij Jezus’ doop, maar daar was zij gericht tot Jezus zelf, in de tweede persoon. Hier is de vorm van het gezegde typisch voor Lucas, hij alleen gebruikt het woord uitverkorene. Dit woord is een zinspeling op Jesaja 42,1 het begin van het eerste lied over de lijdende knecht des Heren. Het Zoon van God zijn, houdt zeker heerlijkheid en glorie in, wij hebben het gezien. Maar aan de andere kant betekent deze bijzondere Godsrelatie, het lijden van de knecht des Heren. Beide zijn aan elkaar gebonden. En het is dit lijden, dit gaan naar de dood, dat het heil voor het volk zal meebrengen. God zelf sanctioneert hier dus met de hemelstem, datgene wat Jezus, Mozes en Elia onder elkaar hebben uitgemaakt. De exodos of dood van Jezus, betekent de exodos of bevrijding van het volk. Er is geen andere weg naar de toekomst van de wereld.
Bron: Ds. G. Willems
(1) Origenes, Griekse fragmenten over het Lucasevangelie, Sources Chrétiennes 87, p.515.
Franstalige versie: protestanet.be