Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 24 van het kerkelijk jaar.
Johannes 21,1-14 • 2Koningen 4,38-44 •
Wanneer men erg betweterig is en zich niet graag van alles laat wijsmaken, kan men de kritische vraag stellen, wat heeft Jezus zo allemaal gedaan na zijn opstanding uit de dood? Volgens de traditionele christelijke kalender zijn er 50 dagen verlopen tussen Pasen en Pinksteren, of beter 40 tussen Pasen en Hemelvaart. Wat deed Jezus in die periode van 40 dagen? Men kan heel wat doen in zo een tijd. Van katholieke zijde heeft men wel verteld dat Jezus toen aan zijn discipelen geleerd heeft hoe de kerk moest worden georganiseerd. Het moest steeds hoger op gaan, via priesters naar bisschoppen, en dan aartsbisschoppen en kardinalen, om zo te komen tot de paus van Rome. Dit is de leer der hiërarchie. Protestanten hebben daar natuurlijk tegen gereageerd, niet waar zeiden zij, het ging toen om het presbyteriaanse systeem, dat via de plaatselijke kerkeraden - die bestaan uit ouderlingen voor het toezicht, diakenen voor de verzorging, en predikanten voor het onderricht - loopt naar plaatselijke synoden en de algemene synode. Beide antwoorden zijn uiteraard onzin, en wanneer men er allerlei apocriefe evangeliën op naleest, zoals de Brief der Apostelen (Epistula Apostolorum) en vooral gnostische geschriften, dan kan men nog dergelijke dingen vinden, die evenmin hout snijden.
Wat zegt het Nieuwe Testament zelf? De vier evangeliën eindigen eigenlijk op de paaszondag. Enkel Matteüs gaat heel even verder tot het afscheid in Galilea. Dan zijn er vooral de verhalen van Johannes 20 en 21, waarvan alleen het laatste hoofdstuk speelt in Galilea. Verder is er in de brieven van Paulus 1Korintiërs 15, waarin gesproken wordt over een reeks verschijningen van de Opgestane, die moeilijk te rijmen valt met andere gegevens. Jezus is er onder andere verschenen aan meer dan 500 broeders tegelijk. Tenslotte dient nog vermeld het boek der Handelingen waar staat (1,3v) aan de apostelen heeft hij zich ook na zijn lijden met veel kentekenen levend vertoond, 40 dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft. En terwijl hij met hen at (?), gebood hij hun... Deze vrij bijzondere bewoordingen van Lucas suggereren een regelmatig verschijnen van Jezus, liefst aan tafel, en daarbij onderricht over het koningschap van God aan het einde der tijden. Het is goed mogelijk dat wij onze lezing over de verschijning aan het meer van Galilea ook in deze zin moeten verstaan. Maar hoe kan dat dan?
Ons verhaal uit Johannes 21 is wel merkwaardig, en allerlei détails die men moeilijk kan plaatsen zijn blijkbaar niet toevallig. Er zit iets achter. Laat ons de gegevens eerst overlopen. De geschiedenis draait om zeven discipelen, waaronder Petrus en Johannes. De mannen vervelen zich en op Petrus’ voorstel hernemen zij hun oude beroep. Zij vertrekken ‘s avonds omdat de nacht de beste vangsten geeft. Maar hun beroepskennis levert hen niets op. Zij geven het op... Dan staat er een onbekende aan de oever die vraagt of zij iets te eten hebben. Wanneer zij antwoorden dat zij niets hebben, zegt hij om het net aan de rechterkant van de boot uit te werpen. Tevoren had men het blijkbaar aan de andere kant gedaan. Zonder de zaak te begrijpen gehoorzamen de discipelen. Nu vangen zij zoveel vissen dat zij het net niet kunnen binnenhalen. Zij zijn verplicht het naar de oever te slepen... Ondertussen heeft Johannes Jezus herkend. Maar het is Petrus die naar hem toegaat. Deze twee discipelen spelen een belangrijke rol in het hele hoofdstuk. Dan gaan alle discipelen naar de geheimzinnig figuur. Zij zien er een vuurtje met vis en brood erbij. Desondanks zegt Jezus om van de vissen die zij gevangen hebben te brengen. Petrus telt er exact 153 en toch scheurt het net niet. Dan worden de discipelen uitgenodigd om te komen eten, en Jezus deelt het brood en de vis uit.
Het verhaal is niet helemaal duidelijk. Er zitten zones in die niet helder te krijgen zijn. De grootste tegenspraak lijkt wel deze, dat Jezus vraagt om van de vis te brengen die de discipelen gevangen hebben, en tegelijk is er al vis aan het bakken boven het vuurtje bij de onbekende. Deze fundamentele anomalie wijst er op dat onze geschiedenis eigenlijk uit twee verhalen bestaat, die zo goed mogelijk aan elkaar gekoppeld zijn. De twee thema’s waar het over gaat zijn: eerst de wonderbare visvangst, en dan de maaltijd. De beide onderwerpen worden in feite afzonderlijk behandeld, omdat men ze niet tot een echt geheel kan samensmelten. De vis heeft een totaal andere functie in de beide onderdelen. Onze geschiedenis is als een ellips die twee brandpunten heeft, in tegenstelling tot de cirkel die slechts één middelpunt kent. Laat ons ieder subverhaal afzonderlijk bekijken.
Het eerste subverhaal gaat over een wonderbare visvangst. Men treft in de evangeliën slechts een enkel ander verhaal van een wonderbare visvangst aan, namelijk Lucas 5,1-11. Wanneer men beide geschiedenissen na elkaar leest, dan beseft men dat allerlei trekjes gelijk lopen of juist met opzet anders zijn, en dat men wellicht met een gemeenschappelijke achtergrond te maken heeft. Voor ons gaat het hier om de vormgeving van Johannes. Hij plaatst het geheel na de opstanding van Jezus, aan het einde van zijn optreden. Bij Lucas houdt de wonderbare visvangst verband met de roeping en de taak der discipelen, vlak aan het begin van Jezus’ werkzaamheid. Men zou de hele weergave van Johannes als volgt in een zin kunnen samenvatten: zeven discipelen vissen, in gehoorzaamheid aan Jezus, met één net, 153 vissen. Er staat zeven discipelen, en niet elf zoals men zou verwachten, na het verraad en de zelfmoord van Judas. Omwille van de symbolische betekenis van het getal, zou men ook kunnen denken aan twaalf, maar dan met de plaatsvervanger Mattias (zie Handelingen 1,23 en 26). Johannes schrijft nochtans zeven. Hij bedoelt dit getal als de volheid van het corps der apostelen, waarbij zeven doet denken aan de zending onder de heidenen, naar het voorbeeld der zeven diakenen in Handelingen 6. Deze discipelen gaan opnieuw vissen, op het bevel van Jezus. Zelf hebben zij het met al hun vakkennis reeds opgegeven. De eigen kracht faalt, maar het woord van de Heer doet het lukken.
Dan is er het mysterieuze getal 153. Men kan zich moeilijk voorstellen dat dit het resultaat zou zijn van ijverig tellen van de apostel Petrus. Maar wat betekent dit getal dan? Verschillende verklaringen wijzen allemaal in een en dezelfde richting. Eerst valt op dat in 2Kronieken 2,16 gezegd wordt dat er onder koning Salomo in Israël 153.600 mannelijke vreemdelingen waren. 153 zou zo symbolisch in de richting van niet-joden kunnen wijzen. Ook is er het getuigenis van de kerkvader Hiëronymus; hij zegt dat de oude biologen 153 soorten vissen onderscheidden. Alle soorten vissen zouden dan gelijkstaan met alle soorten mensen. Het meest waarschijnlijk is echter de uitleg dat 153 het driehoeksgetal van 17 is. Wat is een driehoeksgetal? Wanneer men optelt 1 + 2 + 3 + 4...tot + 17 = 153; en als men deze optelling uitgebeeldt met puntjes onder elkaar, dan krijgt men een gelijkzijdige driehoek met 17 als zijde.
|
. |
Hiernaast een zeer eenvoudig voorbeeld om het allemaal te verduidelijken. |
Nu is verder het getal 17 samengesteld uit 7 + 10. 7 is het getal der apostelen in het verhaal, vermeerderd met de kracht 10. Men zou eventueel ook aan het getal 70 kunnen denken, het aantal volkeren op aarde volgens de joodse traditie. Al deze berekeningen verwijzen naar de heidense wereld die in contact komt met Christus. Het gaat dus om de heiden-christelijke Kerk!
En dan is er tenslotte nog het net. Johannes preciseert dat het niet scheurt. Bij Lucas scheurt het juist wel. Het net garandeert hier de eenheid, het samenhoren. Het ligt voor de hand om hierbij aan de evangelieprediking te denken. Deze prediking is de kracht die de Kerk vormt. Wanneer men al deze gegevens van de wonderbare visvangst van Johannes samenneemt, dan zou men de zin ervan als volgt kunnen samenvatten. De apostelen creëren, op Christus’ bevel, door de prediking, de ene en enige christelijke Kerk uit de heidenen.
Tot op vandaag klinkt iedere zondagmorgen in de kerken overal ter wereld deze apostolische prediking. Zij garandeert op Christus bevel de voortgang van de Kerk door de geschiedenis. Zo schrijdt de Kerk voort, door de generaties. De verzamelde vissen worden op hun beurt vissers van mensen. De eeuwen door, tot de voleinding.
Het tweede subverhaal gaat over de maaltijd aan het meer. Jezus als mysterieuze opgestane eet met de zijnen brood en vis aan de oever van het meer van Tiberias. Wat houdt dit in? In de catacomben te Rome, die ondergrondse begraafplaatsen uit de eerste eeuwen, vindt men de oudste christelijke schilderkunst. De muurschilderingen hebben niet zo een grote artistieke waarde, maar zijn vooral van betekenis om een inzicht te krijgen in het geloof en het leven van de eerste christenen. Welnu in die catacomben treft men herhaaldelijk 7 personen aan die samen aan een halfcirkelvormige tafel - een zogenaamde sigma-tafel - aanliggen. Zij eten brood en vis. De bekendste van deze schilderingen is wellicht die van de catacombe van Calixtus, in de sacramentskamer A3 op de achterwand, uit de eerste helft van de 3e eeuw. Al dergelijke voorstellingen zinspelen zonder enige twijfel op ons verhaal, en tevens op Johannes 6, het hoofdstuk van de wonderbare spijziging en de lange broodrede die erbij aansluit. Voor een parallel uit de Hebreeuwse bijbel zie men onze tweede lezing over de broodvermenigvuldiging van de profeet Elisa. Dit betekent tevens dat de scènes verwijzen naar het Heilig Avondmaal. De eerste christenen verborgen graag de uitbeelding van hun eucharistie achter schijnbaar onschuldige maaltijd-voorstellingen met brood en vis. Het Avondmaal maakte immers deel uit van de geheime leer (Latijn disciplina arcana) die men enkel aan gedoopten mocht onderrichten. De eerste christenen hebben hiermee zeer goed de diepgang van het maal aan de oever verstaan. Het betekent de gemeenschap met de Opgestane, die terugverwijst naar de eucharistie, en vooruit duidt op de maaltijd in het Koninkrijk van God. De doden die bijgezet werden in de nissen van de gangen en kamers der catacomben, hadden door hun deelname aan het brood en de wijn van de eredienst, terwijl Christus present was, de voorsmaak en de garantie gekregen van hun komende deelname aan de Messiaanse maaltijd. Men heeft de eucharistie dan ook wel het geneesmiddel der onsterfelijkheid (Grieks farmakon athanasias) genoemd. Om dit allemaal duidelijk te maken zegt Johannes in ons verhaal uitdrukkelijk dat alles gereed is bij het vuur. Jezus heeft zelf het voedsel en hij deelt het uit. Hij geeft zichzelf aan de zijnen. Zijn lichaam en bloed.
Ook deze eucharistie komt door de tijden heen tot ons op iedere zondagmorgen. Christus’ instelling reikt tot alle plaatsen waar christenen bijeen zijn. De tafel staat steeds in het midden. In de woorden komt ontbijten, uit ons verhaal, klinkt de uitnodiging van de kerkdienst komt, zegt Jezus, want alle dingen zijn gereed. Zo wil de Heer bij ons zijn, als de mysterieus Opgestane, in prediking en sacrament, tot op de dag dat hij als verheerlijkte weer in ons midden zal zijn.
Als besluit kunnen wij zeggen dat volgens onze lezing uit Johannes het Koninkrijk Gods, waarover Jezus spreekt tijdens de 40 dagen, thans in deze wereld ondubbelzinnig verschijnt in twee gedaanten, namelijk als prediking en als Avondmaal. Wanneer men opnieuw probeert een meetkundig beeld te vinden om de zaak te verduidelijken, dan moet men nu kiezen voor twee concentrische cirkels. De buitenste cirkel is de prediking die werft in de wereld; in de Oude Kerk noemde men dit deel van de eredienst de missa catechumenorum, de dienst voor de catechumenen. De binnenste cirkel is de eucharistie die alleen aan de gelovigen gegeven wordt; men noemde dit deel de missa fidelium, de dienst voor de gelovigen. Het middelpunt van beide cirkels en van alles is de Heer, de Opgestane die door zijn kracht werkt.
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be