Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 51 van het kerkelijk jaar.
Deuteronomium 19,14-21 • Jakobus 3 •
Waarin bestaat het verschil tussen een mens en een dier? Men kan er een lang debat over houden, maar wellicht mag men kortweg zeggen dat een van de meest wezenlijke verschillen bestaat in het spreken. Dit wil niet zeggen dat dieren niet met elkaar zouden kunnen communiceren. Het tegendeel is waar, maar spreken in de volle zin van het woord, is toch meer dan dat. Spreken als vertellen over iets bijvoorbeeld, kan men zich moeilijk bij dieren indenken. Het praten van de mens vindt plaats tussen een ik en een gij (jij), of een gijlieden (jullie). Dit spreken verbindt de mensen onder elkaar en maakt hen tot een gemeenschap, tot een samenleving in de echte zin van het woord.
Het spreken van mensen tot elkaar en met elkaar, kan ook gaan over een derde persoon, die niet aanwezig is. Men gaat zo praten over een hij, of over zij (meervoud). Het wordt dan onder meer een vorm van vertellen. Dit spreken over, kan echter ook de vorm van een getuigenis aannemen. Men verklaart of beweert dan dingen over een ander. Het gaat ons hier om dit getuigenis over een persoon of personen. Datgene wat men zo te kennen geeft is eigenlijk van vitaal belang voor die naaste. Een mens hangt namelijk af van zijn medemensen. Wil hij op een normale manier kunnen leven, dan zullen er positieve relaties moeten bestaan tussen hem en zijn omgeving. Deze relaties zijn onderhevig aan de verklaringen en uitspraken van de medemensen. Men krijgt een goede naam en voelt zich daardoor gelukkig, komt het echter tot een slechte faam, dan kan men daar erg onder lijden. Er zijn voorbeelden te over van mensen die kapot zijn gegaan door het kletsen en het roddelen van de anderen. Een winkelier kan bijvoorbeeld door een boosaardig getuigenis op korte tijd al zijn klanten verliezen. Hij moet zijn bedrijf sluiten en daarmee is een stuk van zijn leven vernietigd. Kwaadspreken kan nefaste gevolgen hebben voor een mensenleven.
In het Nieuwe Testament is het langste stuk dat over deze problematiek handelt, het derde hoofdstuk van de Jakobusbrief, dat wij als tweede lezing gelezen hebben. De auteur van deze brief is niemand anders dan Jakobus, de broer van Jezus. Hij is waarschijnlijk pas tot geloof gekomen door een verschijning van de opgestane Jezus (zie 1Korintiërs 15,7 en Galaten 1,19) en heeft sindsdien een centrale rol gespeeld in de gemeente van Jeruzalem. Men noemt hem gewoonlijk de eerste bisschop van Jeruzalem. Wanneer men zijn brief in zijn geheel leest, dan komen allerlei gedachten bekend voor, men heeft dit ergens nog gehoord. Inderdaad, de Jakobusbrief doet denken aan de bergrede van Jezus. Het kan ook moeilijk anders, de broers komen uit hetzelfde milieu, en daar hield men er zeer bepaalde ideeën op na.
Wat Jakobus schrijft over de tong is eigenlijk gericht tot de leraars in de christelijke gemeente, maar het gezegde geldt eigenlijk eveneens voor ieder christen. Men zou het zeer beeldrijke en boeiende betoog als volgt kunnen indelen.
Verzen 2-5a: de tong is klein, maar beheerst de hele mens. Van alle gaven en vermogens die de mens heeft, is zijn spreken het moeilijkst onder controle te krijgen. Dit betekent dat wie zijn tong beheerst, eigenlijk zijn hele lichaam met al zijn mogelijkheden domineert. Nu is het zo dat die tong een zeer klein orgaan is, dat het grote geheel regeert. Men kan dit vergelijken met een paard. Wanneer men een bit in de mond van het dier legt, dan kan men het hele beest besturen. Men kan het ook vergelijken met een vaartuig. Het kleine roer stuurt het grote schip.
Verzen 5b-6: de tong is een verderfelijk vuur. Men kan het nog vergelijken met een kleine vuurtong, die een heel bos in de as legt. De tong is inderdaad een ware vuurvlam. Dit vuur heeft hier echter geen zuiver, rein of louterend karakter. Wel integendeel, het is immers afkomstig uit de hel, de plaats der eeuwige straf, waar satan thuis hoort. Deze vlammen houden verband met de wereld der goddeloosheid. Deze onreine brand kan het hele lichaam bezoedelen. Hij kan het rad der geboorte in vlam zetten. Wat bedoelt men met deze mysterieuze hellenistische uitdrukking? Waarschijnlijk moet men het vrij eenvoudig houden en denken aan de omloop van het zijn, of de levensloop. De hele levensloop van de mens, zijn hele geschiedenis, kan door die brand besmet worden.
Verzen 7-8: de tong valt, anders dan de dieren, helemaal niet te temmen. De mensheid is erin geslaagd alle mogelijke diersoorten te temmen, zowel wilde beesten, als vogels, reptielen en vissen. Maar met de tong, is dat niet gelukt. Er zit dodelijk venijn in. Dit venijn, dat aan giftige slangen doet denken, heeft vanzelf geleid tot dit treffende beeld over de hele dierenwereld.
Verzen 9-10: de tong kan echter op twee manieren gebruikt worden. Met hetgeen nu volgt komt Jakobus dichter bij huis. Na de algemeen menselijke beelden ontleend aan de wereld, wordt er nu iets zichtbaar van het leven der eerste christenen. Uit dezelfde mond komen zegen en vloek voort. Aan de ene kant het loven van God, en aan de andere kant het vervloeken van de mensen, die naar het beeld Gods geschapen zijn. Dit tweede is een ongerijmdheid, daar men in het schepsel ook de Schepper met de vloek treft, en men heeft hem tevoren gezegend. Hiermee is tevens duidelijk geworden hoe het eraan toegaat in de gemeente. Men looft God, maar vervloekt zijn mensen. De vrede in de kerk bestaat niet, er heerst onenigheid door de tong. Dit kan echter niet.
Verzen 11-12: de tong moet, bij een christen, alleen het goede produceren. Om tot een vermaning en een besluit te komen, gebruikt Jakobus weer algemeen menselijke beelden. Eerst is er de bron, die slechts één soort water kan geven, zoet of zout. Verder zijn er de planten die slechts één soort vruchten, namelijk de hunne, kunnen voortbrengen. Een vijgeboom kan geen olijven dragen, of een wijnstok geen vijgen. Zo zal de tong van een christen enkel zijn eigen vrucht, de zegen geven, zowel aan God als aan zijn schepselen.
Voor Jakobus, de broer van Jezus, is het spreken uitermate belangrijk, maar tegelijk een zeer gevaarlijke onderneming. In de gemeente vervloeken mensen elkaar. Er heerst onenigheid en men probeert door machtswoorden mekaar uit te schakelen. Dit spreken over de naaste, dat voor God niet verantwoord is, komt regelrecht uit de hel. Een goed mens, een echt christen, kan en mag alleen zegenen.
Onze eerste lezing uit de Schrift, Deuteronomium 19, handelt ook over het spreken van de mens met betrekking tot de naaste. Het is ook een heel bijzonder spreken, nu niet meer een religieus vervloeken, maar een getuigen voor de rechtbank. Bij een proces kunnen de woorden van een getuigenis zeer verregaande gevolgen hebben. In een rechtszaak blijkt het duidelijkst hoe belangrijk het spreken is, en welke de consequenties ervan kunnen zijn, zowel positief als negatief.
De getuigen waar ons gedeelte het over heeft zijn getuigen ten laste in een rechtszaak. Dit betekent dat zij het zullen hebben over een of ander vergrijp of misdaad van een bepaalde persoon. Deze getuigen verklaren dingen ten nadele van iemand. Zijn staan aan de kant van de aanklager in het proces. Onze tekst heeft het in het geheel niet over getuigen ter ontlasting of ten gunste, die verklaren dat de persoon in kwestie niets misdaan heeft. Deze staan in het proces aan de kant van de verdediging en beogen de vrijspraak.
Vers 15 heeft het over het aantal van de getuigen ten laste. Het stelt, op de verklaring van twee of drie getuigen zal een zaak vaststaan. Alleen een dergelijke verklaring is rechtsgeldig. Uitdrukkelijk wordt één enkele getuige hierbij uitgesloten, dat volstaat niet. Reeds in 17,6 heeft Deuteronomium dit gezegd, maar daar handelt de passus uitsluitend over de doodstraf bij afgoderij, en hier wordt de regel algemeen gesteld. Numeri 35,30 heeft het over de doodstraf bij moord en zegt dat daarvoor getuigen (in het meervoud) nodig zijn, één is niet toegelaten. Ons vers maakt duidelijk dat Deuteronomium in de zaak van de twee of meer getuigen het verste gaat, en erg aan dit principe houdt. Oorspronkelijk gold het wellicht alleen voor halszaken, maar later werd het dan veralgemeend. In de wetten van het oude Oosten vindt men meerdere getuigen, één getuige volstaat evenwel ook. Soms zijn er in het geheel geen getuigen, en is men aangewezen op het godsoordeel of het orakel. Men kan makkelijk raden wat ons vers beoogt met deze wetgeving. De verklaring van één getuige is niet ontvankelijk, daar zij in het geheel niet controleerbaar is. De enige getuige kan om het even wat uitvinden om een bepaalde persoon kwaad te doen. Niemand kan zeggen of zijn beschuldiging juist of vals is, vermits er geen andere getuige is. De Hebreeuwse bijbel is hier dus zeer beducht voor de boze tong van de mens, die een onschuldige zou willen doen veroordelen. Zijn er echter twee of meer getuigen, dan kan men door een confrontatie hun getuigenissen met elkaar vergelijken en zien in hoeverre zij betrouwbaar blijken. De getuigenissen moeten elkaar niet noodzakelijk bevestigen, maar zij mogen elkaar zeker niet tegenspreken.
De verzen 16-21 handelen over de valse getuige, waarvoor men zo bevreesd blijkt te zijn. Reeds de decaloog zegt dat men geen vals getuigenis mag spreken tegen zijn naaste. Hier gaat men in dezelfde geest verder. Ook in de wetboeken van het oude Oosten is men beducht voor de valse getuige. Daarom wordt hij ook streng gestraft, doorgaans volgens het beginsel van het ius talionis (recht der wedervergelding). De eerste vier wetten uit de code van Hammurapi handelen over het getuigenis. Er wordt onder meer gezegd dat, indien iemand een aanklacht betreffende een zekere misdaad voor de oudsten brengt, maar niet kan bewijzen wat hij als beschuldiging inbrengt - zo het om een beschuldiging gaat van een overtreding waarop de doodstraf staat - zal hijzelf ter dood gebracht worden (wet 3). De straf die de valse getuige aan zijn slachtoffer toedenkt, krijgt hij zo zelf. Populair zou men kunnen zeggen, wie een put graaft voor een ander, valt er zelf in. Ook Deuteronomium stelt, gij zult hem doen, zoals hij zijn broeder dacht te doen, en verder volgen de typische uitdrukkingen van de talio-wet. Men mag geen medelijden hebben, teneinde zo het boze uit Israël weg te doen. Wij zien hier dat er tussen Israël en de volkeren overeenstemming bestaat wat betreft het bestraffen van de valse getuige volgens het strenge principe van de wedervergelding.
Wanneer men scherper leest, dan wordt het duidelijk dat de zaak van de valse getuige niet in de plaatselijke rechtbank behandeld wordt, maar wel te Jeruzalem voor het hoogste hof, waarin priesters en rechters zetelen (vergelijk 17,9). Dit bewijst hoe ernstig de zaak genomen wordt. Te Jeruzalem wordt vooral door beroepsrechters een vakkundig onderzoek gevoerd naar de echtheid van het getuigenis. De hoogste rechtbank gaat blijkbaar ook over tot confrontatie van de (valse) getuige met de aangeklaagde, die zijn onschuld staande houdt. Wat wel erg verwondert in dit hele stuk, is dat er slechts van één (valse) getuige sprake is. Hoe staat het dan met de twee getuigen regel, waar men zo de nadruk op gelegd heeft? Misschien moet men antwoorden dat deze regel pas later consequent werd toegepast en dat men hier nog met één getuige mag werken.
Overziet men dit geheel, dan kan men het volgende besluiten. Het spreken van de mens over zijn naaste is overduidelijk één van de zuilen waarop onze samenleving rust. Vals getuigenis, vervloeking, roddel, ontwrichten inderdaad heel de maatschappij. De Heilige Schriften zien dit zeer scherp en waarschuwen ervoor.
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be