Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 11 van het kerkelijk jaar
Matteüs 25,31-46 • 2Korintiërs 8,1-15 •
Een reis naar Israël is altijd weer een bron van vreugde. Israël is immers het land van de bijbel bij uitstek, waar in de eerste plaats joden, maar toch ook christenen, thuis zijn. Wanneer men door het land reist en trekt, dan worden de bladzijden van de Hebreeuwse bijbel en van het Nieuwe Testament springlevend. Het ontdekken van allerlei heilige plaatsen, waar dit of dat al dan niet gebeurd zou zijn, maakt het mogelijk zich de oude tijden levendig voor te stellen. Vooral ook de ontmoeting met het levende joodse volk dat in zijn oude land als het ware uit zijn as herrezen is, betekent zeer veel. Verder ook de ontmoeting met een bonte veelheid van kleine, dikwijls zeer oude christelijke gemeenschappen. De intense beleving van al deze ontmoetingen schenkt een geweldige verrijking aan West-Europeanen, mede door de aanwezigheid van de Islam sinds de zevende eeuw. De ernstige problemen die het land kent, mogen en kunnen deze intense vreugde en verrijking niet wegnemen.
Te Jeruzalem bezoekt men ook Jad wasjem, het gebouwencomplex dat een gedenkteken wil zijn voor de zes miljoen joden die tijdens de tweede wereldoorlog werden omgebracht. De vlam der herinnering, de tentoonstelling en de archieven maken een diepe indruk. Onuitwisbaar...zo moet het zijn. Merkwaardig is dat in dit complex er ook een laan is die heet de laan der rechtvaardigen onder de volkeren. Men bedoelt daarmee niet-joden die tijdens de oorlog hun leven waagden om joden te redden. Sommige van deze redders mochten op die laan een boom planten en kregen dan een plaatje met hun naam en hun nationaliteit erbij geplaatst. Opvallend zijn in de joodse uitdrukking de woorden, rechtvaardigen en volkeren. Deze sleutelwoorden roepen voor christenen onder meer het gedeelte op dat wij lazen uit Matteüs.
Het stuk over het oordeel van de Zoon des mensen is een moeilijke tekst, die heel wat vragen oproept. Hij komt alleen bij de evangelist Matteüs voor en wij hebben dus geen ander evangelie dat kan helpen bij het verstaan. Ik durf niet zeggen dat ik alles van de tekst begrijp, voor mij is dit gedeelte veeleer een permanente uitdaging. Het dwingt de mens zich steeds weer vragen te stellen. Ben ik op de goede weg, is onze samenleving op de goede weg? Of durven wij deze vragen niet meer stellen? Wat kan men over ons Schriftgedeelte zeggen?
Wij kunnen misschien het beste beginnen met de groepen mensen die men moet helpen om behouden te worden. Over wie gaat het? Over zij die honger hebben, die dorst hebben, die vreemdeling zijn, die naakt zijn, die ziek zijn, en die gevangen zitten. In het geheel zes groepen van mensen. Het gaat ongetwijfeld om een opsomming die niet volledig wil zijn, maar die dingen opnoemt als even zoveel voorbeelden, die men zelf kan uitbreiden en aanvullen. Om de hele opsomming te typeren zou men kunnen zeggen dat het in wezen gaat om allerlei soorten armen en hulpbehoevenden. Het is de arme die honger en dorst heeft. De vreemdeling is arm omdat hij geen dak boven het hoofd en geen functie in de samenleving heeft. De arme is te licht gekleed. Een arme wordt makkelijk ziek door ondervoeding. Een arme raakt makkelijk in de gevangenis door schulden. Het gaat dus om de kleine, onaanzienlijke mensen. Het helpen van al deze mensen kan men in het jodendom onderbrengen bij de zogenaamde liefdewerken (gemiloet chassadim). Deze liefdewerken moeten onderscheiden worden van de geboden van de Thora, en worden meer geroemd dan deze. Zij staan in zeer hoog aanzien. Bij deze gemiloet chassadim worden nog dingen opgenoemd die Jezus niet vermeldt, en omgekeerd noemt Jezus hier het bezoeken van gevangenen dat normaal niet bij de liefdewerken voorkomt. Men noemt er wel het vrijkopen van gevangenen. Hoe dan ook, dit maakt geen wezenlijk verschil. De geest van deze werken is perfect duidelijk en Jezus grijpt terug naar een gekend joods thema. Men zou hooguit kunnen opmerken dat Jezus alles reduceert tot de primaire behoeften van de mens; in het jodendom gaat het over een bredere waaier van dingen.
Het hele stuk van Matteüs betreft het laatste oordeel. Hoe stelt men zich dat voor? Aan het einde der tijden komt de Zoon des mensen in zijn heerlijkheid samen met de engelen. Men moet hierbij denken aan een menselijke figuur die uit de hemel neerdaalt volgens Daniël 7,13. Jezus lijkt zichzelf te identificeren met deze Zoon des mensen. Hij krijgt van God de koninklijke waardigheid en zijn taak bestaat erin het laatste oordeel te voltrekken. Hij oordeelt over alle volkeren en maakt de scheiding tussen schapen en geiten. Men ziet in het Midden-Oosten inderdaad veel gemengde kudden van witte schapen en zwarte of donkere geiten. De witte schapen aan de rechterhand zijn de rechtvaardigen. Zij zijn de gezegenden van God de Vader en beërven zijn Koninkrijk of het eeuwige leven. De zwarte geiten aan de linkerhand zijn de vervloekten. Zij zijn bestemd voor het vuur en de eeuwige straf.
Wanneer men nu het hele gedeelte over het oordeel van de Zoon des mensen herleest, dan blijven er twee belangrijke vragen over. De eerste is: waarom betekent het weldoen aan al deze armen iets? Wie te eten en te drinken geeft, wie de vreemdeling als gast opneemt, wie kleren schenkt, wie zieken en gevangenen bezoekt (als morele steun of ook met voedsel en kleding?), krijgt deel aan het Rijk Gods. Wie het niet doet, is bestemd voor het vuur. Wij zagen dat dit in overeenstemming is met het jodendom en dat Jezus duidelijk in die traditie staat. De tekst van Matteüs gaat verder op hetzelfde spoor. Het antwoord dat de Zoon des mensen, als koning, geeft op de verwonderde reactie van de rechtvaardigen en de vervloekten, maakt dit duidelijk. Hij zegt: ...al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor mij gedaan. De Zoon des mensen identificeert zich hier met de armen, met de kleinsten, hij is hun broeder. De koning stelt zichzelf gelijk met de geringsten. Wanneer men hen geholpen heeft, dan heeft men dat aan de Zoon des mensen gedaan, zonder ook maar iets daarvan beseft te hebben. Doorheen deze houding, schemert iets van de levenswijze van Jezus en zijn zorg voor de kleinsten.
In het tweede gedeelte dat wij lazen, uit de tweede brief aan de Korintiërs, heeft Paulus het over vergelijkbare dingen. De hulp aan de armen wordt daar gefundeerd met de bedenking dat Christus die rijk was, voor u arm geworden is, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden. Zo wordt Christus hier weer gelijkgesteld met de armen die geholpen moeten worden. Maar men kan het ook heel modern zeggen met het begrippenapparaat van niemand minder dan Rudolf Bultmann (1). Hij spreekt over de metamorfose Gods. God ontmoet ons in de arme mens uit onze samenleving. God bekijkt ons door de ogen van onze naaste. Hij is niet ver weg, in een mythologische wereld, maar concreet hier.
De tweede vraag die overblijft luidt: welke mensen worden geoordeeld in ons Schriftgedeelte? Wie verschijnt voor de rechtertroon van de Zoon des mensen? Het begin van de tekst zegt duidelijk alle volkeren. Dit betekent naar gangbaar joods spraakgebruik, alle heidense volken, die de God van Israël niet kennen. Het gaat hier blijkbaar nergens om het oordeel over het volk Israël, of over de gemeenschap der christenen. Men heeft duidelijk te doen met diegenen die de Zoon des mensen of de koning van tevoren helemaal niet kenden. Deze volkeren die niet hebben gehoord van God of zijn Messias worden, door hun liefdedaad tegenover de arme, behouden in het oordeel. Ondanks hun onwetendheid worden zij toch door de Zoon des mensen, in opdracht van God, gered van de ondergang. Men zou kunnen spreken over de menslievendheid van God. Men heeft dus niet te doen met alle volkeren, waaronder ook het jodendom en het christendom begrepen zouden zijn. Was dit wel het geval, dan zou men moeten spreken van een soort ethische regel of een soort humanisme dat uiteindelijk universeel zou gelden. Dit humanisme, deze daad voor de arme, zou dan eigenlijk het enig waardevolle in de godsdiensten zijn.
Zo simplistisch is dit Schriftgedeelte echter niet. Er is niet één regel voor alle mensen. Er moet differentiërend gedacht worden over verschillende groepen. Voor degenen die de God der Schriften kennen staan de zaken immers anders. Wanneer men bij Matteüs de verzen 10,32v 10,40v 18,5 aandachtig leest en vergelijkt, kan men niet anders zeggen dan dat voor deze wetenden of gelovigen wel degelijk het kennen van Christus of God medebepalend is. De concrete daad staat niet zomaar op zichzelf, maar wordt ingegeven en bepaald door het kennen van God en zijn Messias. Of anders gezegd, het handelen gebeurt uit de levensovertuiging, uit het geloof. Geloof en werken vormen een ondeelbaar geheel. En dit geheel zal uiteindelijk beloond worden. Voor de aanhangers van God geldt het puur humanisme niet, dat van kracht is voor de overige volkeren. Voor hen horen geloof en werken samen, want geloof zonder werken is dood, en werken zonder geloof zijn blind, om het met de gevleugelde woorden te zeggen.
Nu dit alles nader gepreciseerd is, kunnen wij in de geest van Matteüs 25 heel algemeen besluiten. Hulp aan de armen is heel essentieel voor alle mensen. Het is eigenlijk het feit waarop men mensen en samenlevingen kan beoordelen. Het jodendom is een godsdienst die graag de nadruk legt op het doen, op de daad. Jezus doet dit hier ook. Het christendom heeft altijd weer de neiging om het zwaartepunt te zien in de leer, in de doctrine, en het kan daardoor de hulp aan de armen vergeten. Men houdt het bij abstract gespeculeer en vergeet de concrete mens in nood. Nochtans Christus is en blijft de broeder der armen! Geen enkel gedeelte uit het Nieuwe Testament zegt dit op een indringender wijze dan hier. Laten wij dit nooit vergeten. Mochten de rechtvaardigen onder de volkeren ons niet beschamen op de jongste dag.
Bron: Ds. G. Willems
Voetnoot
(1) Rudolf Bultmann, Jezus Christus en de mythe, Carillon-reeks 54, Amsterdam 1967, p.127v.
Franstalige versie: protestanet.be