Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Als je het licht van God wilt volgen
Johanes 14 vers 2: Het huis met de vele woningen
Johannes 14
2 In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken?
Het was zo'n zondag dat alles tegen zat. Het regende pijpenstelen, er waren weinig mensen vanwege vaderdag, en, klap op de vuurpijl, mijn vriendin was er niet. Ik zat dus alleen in het Schaduwrijk, grote crisis, en dus was ik de aangewezen persoon om de schriftlezing te doen. Die ging hierover, dat de Heer zegt dat in het Huis van zijn Vader veel woningen zijn, en dat Hij het eerlijk zou zeggen als het anders was. Het punt was namelijk dat de leerlingen de Vader daarboven graag wilden zien. En dan komt onze Heer en Hij zegt: zie je mij, dan zie je de Vader, en straks heb je een woning voorgoed bij Hem.
"Niemand kan dat zo fijn lezen als jij, Sofie", zegt heel zacht de dominee tegen mij als ik weer naar mijn plaats ga. Klinkt leuk, maar ik houd er niet van. Dat is de taak van mijn vriendin, en die is er niet, en ik weet niet waarom.
Dan zegt dominee Geurs tegen de kinderen, dat hij onlangs in Vlaanderen was, in de stad Gent, en dat hij daar op de Korenlei logeerde. "Daar is een hotel in aanbouw", zei hij, "ik heb daar al eens een verhaal over verteld, dat was dat van de Bouwkraan. "Een hotel", zei hij, "is ook een huis met veel kamers, en daar wil ik over vertellen.
Ik logeerde dus daar, op de Korenlei in een huis dat De Hof van Fiennes heet, ik noem het kortweg De Hof. Van daaruit heb je uitzicht op de Leie en de prachtige huizen daaraan, een ook op het hek waarachter ze bezig zijn aan het hotel.
Dat had ik allemaal wel gezien, maar het was overdag, en dan lijkt alles heel gewoon, je denkt: niets bijzonders te zien. Maar dat wordt anders als het nacht is, vooral als het dan ook nog vier uur is, zo heel donker, en zo heel stil overal.
Ik was uit bed gestapt, want ik kon niet slapen. Ik dacht: Kom, ga wat water drinken, dan slaap je wel weer. Met het glas in de hand stond ik voor het raam, en toen zag ik Het Licht. Ik zeg het plechtig, kinderen, want dat was het ook, het was een heel bijzonder licht. Of eigenlijk: het waren lichten, ze lagen in de grond, de stenen van de straat lagen er omheen, elke lamp werd afgedekt door een onbreekbaar glaasje. Ik had ze wel gezien, overdag, het waren er acht, maar ik had er niet op gelet. Maar nu het donker was brandden die lichten en schenen vanuit de straat tegen de gevels van de huizen. Die leken nu net huizen uit een sprookje, zo mooi.
Toen hoorde ik haar komen. Haar, dat was een meisje, ik hoorde het aan de stem. Die was heel hoog en verwonderd. Ze kwam om de hoek aan de hand van haar vader, en het was des nachts om vier uur. Op de Korenlei kwamen ze samen, het meisje was klein en ze had een helder jurkje aan en haar schoentjes waren rood. Ze kwamen vast van een feest. Ze wees met haar vinger naar de lichten in de straat, het waren er geen acht, maar zeven, want eentje was uit, en ze vroeg met hoge stem wat dat was.
Ik kon het antwoord niet horen, maar ik zag dat haar vader ook wees, langs de baan van licht die langs de huizen ging en die eindigde bij het hek van het hotel.
Hij wilde doorlopen met haar, want het was al zo laat, maar dat wilde ze niet, ze wilde het Licht van dichtbij bekijken. En aarzelend zette ze er haar ene rode schoentje op. Toen ook het andere, ze lachte en spreidde haar armpjes. Daar stond ze, van onderen beschenen, in het licht. Haar feestjurkje leek van satijn, de kanten randjes wierpen hun schaduw in een kringetje om haar voetjes, de weerschijn van het licht toverde goud op d'r haar.
Ze sprong af van het glaasje, het deed haar zeker denken aan een hinkelbaan. Zo hinkelde ze het donker in, de gloed in haar jurkje doofde, zwart werden haar schoentjes even. Maar daar was ze alweer op het tweede licht, ze danste en spreidde haar armpjes en riep naar haar vader, en die kwam haar achterna.
Zo liepen die twee voort over de Korenlei, hij naast het licht, zij erop en eraf, in het licht en er uit en weer er in - tot zij kwamen bij het hek. Daar stonden ze te kijken, hand in hand, zij stond op de glorie van de laatste lamp, hij half beschenen ernaast, links licht, donker rechts. En ze keken omhoog waar een afbeelding hing van hoe het hotel moest worden, zo prachtig tegen een hemel zo blauw.."
Toen vroeg de dominee: "Wie weet wat ik hiermee wil".
En Marie, die teergevoelige, zei: "U wilt zeggen dat wij onderweg zijn naar Huis. Dat het hotel in aanbouw het Vaderhuis is. En dat onze hemelse Vader met ons over de Leie loopt, oh, wat vind ik dat mooi, ik zie dat voor mij, en dat wij de ene keer in het Licht staan, en de andere keer in het donker, maar dat is niet erg, want je hinkelt verder, en dan kom je weer in het licht, en je Vader is bij je".
En dikke Hendrik zei: "En ze kwam van een feest, dat zei u, dominee, dan had ze zeker lekker gegeten, en dan kan je er veel beter tegen, want dat weet ik!"
Op dat moment kwam Letitia binnen, ze is mijn vriendin, en ze schoof naast mij in de bank. Ik zeg: "Kind, wat heb ik je gemist, wat was er nou, maar het geeft niet, jij komt binnen, en kijk, nu wordt het licht!"
Dat sloeg op de zon, die kwam op dat moment achter de wolken vandaan. Ze lachte en gaf mij een kus, en schudde de regen uit d'r haren. "Ik ben er", zei ze.
Dàt is ware vriendschap, dat zeg ik.
| De dominee hield een preek, ook over dit verhaal, zo doet hij wel vaker. Hij zei dat wij in ons leven vaak voor een hek komen te staan. Daar eindigt de weg van het licht, daar is gewoon een hek. Dan moeten wij het doen met de afbeelding van hoe het moet worden, dat Vaderhuis. En dat het onze taak is om het te helpen opbouwen, als we dat kunnen. En hij zei dat dit kinderverhaal ook een afbeelding is, iets om over te denken. Toen kwam Letitia opeens op een idee, ze stak haar hand op. "Ik ken die plek", zei ze, "waar u over vertelt, ik ben er met mijn vader geweest. En ik weet toevallig dat die lichtjes achter die bouwwerf gewoon verder gaan, tot aan de brug waar de kantwinkels zijn. Als die vader met dat kind om de werf was gegaan, had ze over dat Licht gewoon verder kunnen lopen!" "Dat deden ze ook, denk ik", zei dominee Geurs, " alleen, ik kon dat niet zien, het hek stond ertussen. Maar wat je zegt is prachtig, Letitia, jij maakt mijn verhaal af. Want achter de hekken gaat het Licht verder. Dat is de blijde Boodschap van een laatkomer, vandaag!" |
"Dan kan je zien, lieve laatkomer", zeg ik tegen mijn vriendin, "hoe onmisbaar je bent!"
En dit is het verhaal over de Korenleilichten.
Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland
Franstalige versie: protestanet.be