Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

Het zeebeest en het kleine meisje

Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Waarom je niet echt bang hoeft te zijn
Jessaja 27 vers 1: Hij zal de draak die in de zee is doden

Bijbeltekst (NBV)

Jesaja 27

1 Op die dag zal de HEER ingrijpen: hij trekt zijn groot en machtig zwaard tegen Leviatan, de snelle, kronkelende slang, en hij zal Leviatan doden, het monster in de zee.

Verhaal

Bijbels verhaal voor kinderenEerst wisten de mensen helemaal niet dat het zeebeest bestond, ook het kleine meisje wist het niet, echt niet. Ze woonde met haar vader en haar moeder aan de oever van de zee. Haar vader was visserman en haar moeder had een hotelletje, ook aan de oever van de zee.
Het was er altijd mooi weer, de winter kwam daar nooit met zijn ijs en zijn sneeuw, dus er waren altijd veel mensen op vakantie, hun kinderen speelden op het strand of heerlijk in de zee.
Maar je moet niet denken dat het er nooit stormde, dat deed het wel, soms zelfs heel erg, en dan was de zee onrustig en zijn golven kwamen huizenhoog, dan durfde geen kind in het water gaan, zelfs de vissers bleven dan thuis.
Maar op een keer gebeurde er iets vreemds. Het stormde niet, het was zelfs bladstil, maar toch waren er huizenhoge golven, daar luisterden de toeristen naar, veilig diep in bed. En toen ze 's morgens hun deuren open deden, lagen er vissen in de vensterbank en stukken drijfhout over de strandweg, zodat je er niet met je huurauto kon rijden. De vissers keken naar de zee, die er zo vredig bij lag, en ook zij zeiden: Hoe kan dat nou?
Ja, niemand wist hoe dat kon, ze hebben de boel gewoon opgeruimd, en toen dat klaar was, zijn de vissers weer gaan vissen, en de toeristen gaan foto's maken. Ze merkten overigens wel dat alle vissen die ze zagen of vingen, erg snel bewogen, het leek of ze werkelijk bang waren.

Een paar dagen gingen voorbij, toen kwam er een nacht dat het kleine meisje weer lekker in haar bedje lag te slapen, en haar vader en moeder ook, en alle andere mensen, en toen kwamen er opeens weer huizenhoge golven, zomaar uit zee, en het water drong de huizen binnen, ook het hotel, iedereen werd wakker, en het bedje van het kleine meisje dreef door de deur bij haar ouders de kamer binnen.
Dat was even goed schrikken, dat begrijpen jullie wel! En toen het eindelijk licht werd kon iedereen zien wat er was gebeurd. De enorme golven hadden een scheepswrak opgetild van de bodem van de zee en midden op de weg gesmeten, het wrak zat vol schelpen en zeesterren. Die lagen trouwens ook in de tuinen, en zeewier hing voor de ramen als een gordijn, en modder lag in de gang, en inktvissen probeerden van het dak af te komen met hun lange armen, die hadden geen ladder nodig. En in de goudvissenkom van de oma van het kleine meisje lag een kleine babyhaai met zijn kopje omlaag.
Het kleine meisje zag dat allemaal, ze hielp haar oma de goudvissenkom schoonmaken, het babyhaaitje gooide ze in zee, en toen ze daar stond dacht ze: ik ga vannacht stiekem naar het strand om te kijken wie dit allemaal doet!
Niemand zei ze iets, want dan mocht het natuurlijk niet, ze wachtte tot het nacht werd, en toen ging ze op haar teenslippertjes heel zacht naar buiten, want die had ze net nieuw van haar oma gekregen, die deed ze dus aan.
Daar lag de zee, heel vredig en stil, de maan scheen met haar zilveren licht op het water. Niets vreemds te zien - of toch dààr, misschien? Wat was dat? Een eiland, maar dat kan toch helemaal niet, want daar was nooit een eiland! En bovendien, het bewéégt! Moet je kijken, nu duikt het onder, nu is het weg.!
Ja, het was weg, dat zogenaamde eiland, en het water rimpelde nog een beetje na, daaraan kon het kleine meisje zien dat het er echt was geweest.. Ze keek een beetje hier, ze keek een beetje daar, alles was stil zoals tevoren. Ze zou op haar slippervoetjes alweer terug naar huis, en toen opeens kwam daar een hoge golf, veel hoger dan een toren. En er bewoog iets zwarts achter die golf. Hoe hoog die golf ook was, er stak een kop bovenuit, een hele grote kop met ogen zo groot als een wagenwiel, en die keken naar haar. Toen werd ze werkelijk bang.
Rennen kon niet meer, want daar kwam de golf, en nog een en nog een, maar gelukkig gingen die juist langs haar heen. Maar alle vissersbootjes verdwenen in het water. En toen kwamen die drie golven terug, en alle vissersbootjes dreven weg in de zee. En daar, in het zilveren water waar de maan op scheen dook iets dat heel donker was, weg. Iets dat een kop had, die nog even boven het water stak om naar haar te kijken.
Ze was opeens niet meer bang, het kleine meisje, al dacht ze eerst van wel. Dat kwam door die ogen. Al waren ze zo groot als een wagenwiel, ze waren niet boos of lelijk, nee, helemaal niet, vond ze. Dus ze zwaaide met haar hand, en toen was het beest verdwenen. En de golven verdwenen ook, er waren alleen nog zilveren rimpels in het water, daaraan kon je zien dat het allemaal echt waar was geweest wat het kleine meisje had gezien.

Ze ging naar huis op haar teenslippervoetjes, die alleen waren nat geworden, maar die konden er tegen, en ze zag dat drie huizen van hout met mensen en al in de zee waren gespoeld. Gelukkig was er niemand verdronken, dat moest er nog maar bijkomen, werd er gezegd.
Maar hoe kon dat, terwijl het niet stormde, waar kwamen die hoge golven vandaan? De pastoor in de kerk luidde de klok, want de golven waren tot aan het altaar gekomen, en hadden de drie kaarsen op hun zilveren voeten meegenomen, die stonden nu te branden op een vissersboot. ‘Dit heeft de duivel gedaan', zei de pastoor.
Maar het kleine meisje stond op haar natte slippervoetjes tussen al die opgewonden mensen die natuurlijk niet naar haar luisterden. Tot iemand opeens hoorde wat ze zei. Ze zei het heel rustig, want ze wist het zeker. Wat zei het kleine meisje dan? ‘Nee hoor, dit heeft de duivel niet gedaan. Er is een groot zeebeest daar, en die heeft die golven gemaakt!'
Even was het stil want ze moesten ervan slikken. Toen begon iedereen te lachen, ook al waren ze nog zo bang en geschrokken. Ze lachten dat ze dubbel lagen, behalve de pastoor. Een zeebeest! Hoe bestaat het! Kind, hoe kom je daar nu bij? Zeebeesten bestaan niet, dat weet toch iedereen!
‘Ja', zei ze, en ze stond daar heel rustig, ‘maar ik heb hem zelf gezien. En zijn rug is een eiland dat verdwijnt, en zijn kop is zo hoog als twee torens op elkaar, boordevol klokken, en ogen heeft hij als wagenwielen!'
‘Wat een onzin, klein meisje', riepen de toeristen die onder hun bed vandaan waren gekropen, of onder hun deken, ‘zo'n beest bestaat immers niet!'
‘Hij is lief, maar hij is zo groot', zei het kleine meisje, ‘daar kan hij niets aan doen. Maar hij is heel lief, want hij heeft de golven de andere kant uit gestuurd, kijk maar, alleen mijn voetjes en mijn teenslippertjes zijn nat, maar die kunnen er tegen!'
‘Wij hebben anders geen zeebeest gezien', zeiden de vissers, ‘en wij zijn toch altijd op het water met onze netten!'
‘Ik denk dat hij een beetje bang is', zei het kleine meisje, ‘ik weet niet waardoor, maar hij is onder water gedoken toen de klok begon te luiden. En er waren grote rimpels in het water, kijk daar komt er weer een. Daar kunnen jullie aan zien dat het echt waar is wat ik zag!'
Nu, kinderen, daar geloofde niemand iets van, ook al zagen ze de rimpels in het zeewater wel, want zeebeesten bestaan niet. ‘Maar duivels wel', zei de pastoor, en knikte met zijn hoofd.

Enkele dagen gingen weer voorbij dat er niets gebeurde. Het zeewater lag daar lekker in de zon en later vredig in de maneschijn. Bladstil was het ook, al dagenlang, geen palmboom bewoog, al vielen er wel kokosnoten, maar ja, dat doen ze toch, ook bij mooi weer.
Maar toen, zomaar ineens, kwam daar een enorme golf, en nog een, en nog een. Met hun drieën kwamen ze over het land en vlogen bij de bergen op, en doken weg daarachter. Maar niet voor lang. Want nauwelijks waren de vissers bekomen van de schrik, of ze kwamen als drie watervallen van de bergen af. Schuimend en bruisend, en ze kwamen als rivieren door de straten, en alles zat onder de modder tot aan het dak, op de scheepswerf gleed een schip dat ze aan het bouwen waren zomaar van de helling af in de zee, en het water spoelde dwars door de kerk en nam het altaar mee en zette het op de scheepswerf neer, op de helling waar het schip had gestaan, en de drie kaarsen stonden er opeens weer bovenop.
Toen waren de golven weg, terug in zee, maar uit de kerktoren spoot het water als uit een tuinslang, en de klok luidde onophoudelijk, en de pastoor, weet je wat hij zei? ‘Eerst luidde ik de klok omdat de duivel kwam, maar nu luidt de duivel zelf de klok!!' Waaraan je kon zien, zei hij, dat de duivel echt bestond. En iedereen geloofde dat.
En de toeristen vlogen onder de bedden, of tussen de dekens met hun hoofd aan het voeteneind, en ze propten de punten van de lakens in de mond om niet te klappertanden.
En toen kwam er iemand en zei: ‘Pastoor, uw altaar staat op de scheepswerf, maar zonder een spettertje modder, en met zijn drie kaarsen erop!' Wat natuurlijk een heel groot wonder was.

Maar het kleine meisje stond bij de zee, en het was avond, en ineens was daar het zeebeest, heel dichtbij. Maar ze schrok niet, want ze wist dat het grote beest een beetje bang was. Ze zei dus: ‘Dag zeebeest!'
‘Dag klein meisje!', zei het zeebeest, ‘waarom zeg je dat tegen mij?'
‘Omdat je uit de zee komt, en omdat je een beest bent, daarom noem ik je zeebeest!' zei het kleine meisje.
‘Eigenlijk ben ik een zeeslang', zei het beest, ‘maar ik vind zeebeest veel mooier, dus je mag dat wel tegen mij zeggen, hoor!'
‘Je bent eigenlijk best wel een beetje lief', zei het kleine meisje, ‘ook al ben je wel erg groot. Maar waarom gooi je zoveel grote golven op ons land? Kijk eens wat je gedaan hebt, zeebeestje, en alles zit onder de modder, kijk hier, en kijk eens daar, en in de kerk ligt een stuk bloedrood koraal tussen de banken, dat heb jij gedaan!'
‘Dat komt omdat ik mij af en toe om moet draaien', zei het zeebeest dat eigenlijk een slang was. ‘Als jij in je bedje ligt, draai je jezelf toch ook wel eens om?'
‘Ja, maar niet met zoveel geweld', zei het kleine meisje, ‘en wie moet nu al die modder weer opruimen? Je moest je eigenlijk heel erg schamen, jij groot zeebeest!'
‘Dat doe ik ook!' riep het zeebeest en het begon te snotteren, ‘ik heb er heel erge spijt van dat ik jouw huisje onder de modder heb gegooid...'
‘...en het hotel van mama ook met al die mensen erin - en de kerk!' zei het kleine meisje'.
‘Ja, dat allemaal ook!' riep het zeebeest, ‘het spijt mij echt vreselijk, en nu moet ik er erg van huilen, mag ik dat even op jouw schouder doen, want ik vind jou zo lief!'
En het kleine meisje was helemaal niet meer bang, ze zei: ‘Ja hoor, zeebeestje, dat mag je wel!'
En toen legde het zeebeest zijn kop op de schouder van het kleine meisje, je zag het hele meisje niet meer, zo groot was die kop, en toen huilde het zeebeest naar hartelust.
Maar weet je, zijn tranen waren zo groot, één traan was wel een hele emmer vol, er stroomden tranen door de straten, tranen langs de huizen, en tranen door de kerk, en over het stuk bloedkoraal, het waren er zoveel, dat alles weer schoon was toen het zeebeest was uitgehuild.
‘Goed zo', zei het kleine meisje, ‘nu heb ik gezien dat je er echt spijt van hebt. Nu moet je jezelf omdraaien en terugzwemmen naar zee!'
‘Dat kan ik juist niet, lief klein meisje!' riep het zeebeest, ‘want weet je, ik zit vast met mijn staart, die zit ergens klem!'
‘Oh!' zei het kleine meisje, ‘zijn dat dan al die eilandjes die wij in het water zien, die er eerst niet waren?'
‘Jaaah!' riep het zeebeest heel langgerekt, en het scheelde niet veel of hij begon weer te huilen.
‘Huilen hoeft niet meer,' zei het kleine meisje, ‘want alles is al schoon. Maar weet je, lief klein beestje, zal ik je staart dan maar eens losmaken, zodat je weer terug kunt zwemmen naar zee?'
‘Wil je dat doen, jij lief klein meisje?' vroeg het zeebeest, ‘heel erg graag, dan mag je wel over mijn staart de zee in lopen tot aan de punt om te zien wat er mis is!'
‘Dat zal ik doen', zei het kleine meisje, en ze deed haar teenslippertjes uit.
‘Die hoef je niet uit te doen, hoor', zei het zeebeest, ‘want ik vind ze erg mooi, en ik zal wel zorgen dat jij geen natte voeten krijgt!'
Toen deed het kleine meisje haar teenslippertjes weer aan, want die konden er wel tegen, en het zeebeest stak een vleugeltje uit, want die had hij ook, en zij zat daarop, en even later stond ze op de rug van het beest. En hij zei nog: ‘Zorg dat de klok niet gaat luiden, klein meisje, want dan word ik bang!'.

Zo begon ze haar tocht naar de punt van de staart om te zien wat er mis was. En steeds als ze weer bijna in het water stond, tilde het zeebeest zijn staart een beetje op, zodat ze weer verder kon. En zo ging het kleine meisje van eilandje naar eilandje, en ze hield haar voetjes droog, net zoals het zeebeest had beloofd.
Maar het was wel heel ver lopen, veel verder dan het kleine meisje had gedacht, ze kon het land niet meer zien waar ze woonde, overal was water en diepe zee. Ze was alleen met het beest, en ze moest op hem vertrouwen. Maar bang was ze niet.
‘Ben je er al bijna?' vroeg het zeebeest, en zijn stem kwam van ver.
‘Ja, bijna', zei het meisje. Ze zag dat ze bij de uitgang van de zee was gekomen, want het was eigelijk een binnenzee. De echte, hele grote zee die ze oceaan noemen, lag achter de punt van de staart.
Rechts was een hele hoge rots, daar zaten soldaten met helmen op die naar haar zwaaiden. En links waren rotspunten, die staken omhoog uit de zee, en daarachter was land, daar speelden kleine jongetjes die watervlug en erg ondeugend waren. Want wat hadden ze gedaan? Ze hadden de staart van het zeebeest tussen die rotsen door getrokken. En op het eind hadden ze een hele grote steen gelegd. Het kleine meisje probeerde die weg te rollen, maar daarvoor was ze niet sterk genoeg. De ondeugende jongetjes gooiden haar watervlug met stenen. Maar de soldaten daarboven kregen medelijden met haar, en ze hebben haar toen geholpen.
Toen de steen in zee lag met een harde plons waar de ondeugende jongetjes erg van schrokken, riep het kleine meisje heel luid: ‘Zeebeestje, til je staart maar op!'
En dat deed hij, en toen was die staart weer vrij, oh wat was dat zeebeest blij! Hij zwaaide met zijn vleugeltjes boven het water, zo dankbaar was hij.

Maar het was zo ver voor het meisje om weer die hele lange weg terug naar huis te maken, en naar de kop van het beest. Dat merkte het zeebeest, en weet je wat hij zei? ‘Ga maar zitten, klein meisje, op de punt van mijn staart, dan ben je in twee minuutjes thuis!'
‘Dat kan niet', zei het meisje, ‘het is immers veel te ver!'
‘Verlies je teenslippertjes niet!' zei het beest, en toen tilde hij zijn staart op, met het meisje op de punt, en hij tilde die over zijn rug naar voren, dat duurde één minuut, en over zijn vleugels en over zijn kop, dat was de tweede minuut, en toen stond ze op het strand bij haar huis en het hotel van haar moeder. En alle vissers zagen het, en ze wisten niet wat ze zagen, ze stonden met open mond.
‘Nu ga je jezelf omdraaien, maar dat doe je heel rustig', zei het kleine meisje, ‘en dan geef je mij een hand, en dan breng ik je naar zee, en daar geef ik jou een kus op je neus, omdat je zo goed op mij hebt gepast!'
‘Was je helemaal niet bang, klein meisje, ook niet een heel klein beetje?' vroeg het zeebeest.
‘Nee hoor', zei het meisje, ‘ik was niet bang, want ik wist dat ik je kon vertrouwen, en nu niet weer huilen, want dan verdrinken we misschien!'
Toen gaf ze het zeebeest een hand, en hij draaide zich om met zijn kop naar de zee, dat was eigenlijk de oceaan, en ze bracht hem terug naar zijn vaderland. ‘Ga maar weer zitten op mijn staart!' zei het zeebeest toen ze moe werd, want de weg was zo lang. En toen zwom hij met haar hoog boven hem naar de uitgang van de binnenzee, waar de oceaan begon, wat zijn vaderland was. En daar zette hij haar met het grootste gemak op de rots waar de soldaten waren, en ze gaf hem daar haar afscheidskus.
En kijk, het zeebeest zwom weg naar zijn vaderland, als je de oceaan een vaderland kunt noemen, maar hij veegde met het puntje van zijn staart toch nog even over het land van de ondeugende, watervlugge jongetjes, en daarna was er niet één meer te zien.

Toen de soldaten van de schrik waren bekomen, hebben ze het kleine meisje in een jeep gezet, en veilig en vliegensvlug naar huis gebracht. En de mensen hebben van het hele gebeuren een film gemaakt, daarop zie je het kleine meisje lopen op haar slippervoetjes met het zeebeest zo groot als een berg aan haar hand. Dat was iets om nooit te vergeten.
En de toeristen in het hotel van haar moeder kropen onder hun bed vandaan, of weg onder de dekens, en ze haalden de punt van het laken uit hun mond dat ze erin hadden gestoken om niet te klappertanden, en ze keken met open mond door het raam.

Dat is mijn verhaal, zei dominee Geurs in de kerk. Een verhaal voor als je werkelijk bang bent. Want Letitia mijn vriendin had gelezen uit Jesaja 11:

Hij komt, de Dag van de Heer,
dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vleit zich bij een bokje neer,
kalf en leeuw zullen samen weiden,
en een klein kind zal ze hoeden.

En hij had gezegd dat mensen echt bang zijn voor wolven, panters en leeuwen want die zijn gevaarlijk. Wij voelen ons weerloos als een lam, onbeschut als een bokje, en wat zal een klein kind beginnen tegenover die wilde beesten?
Maar toen sprak hij over het Lam van God dat de zonden van de wereld wegdraagt, en dus van de beesten ook, en dat het Lam van God verzoening brengt en vrede, en dat wij dus ook niet meer bevreesd hoeven te zijn. Want dit Lam is naast de grote Wolf gaan liggen, en die wilde het Lam opeten, natuurlijk, maar dat is hem erg slecht bekomen, en nu lust hij geen lammetjes meer. Daarom heeft hij zich als wolf bij de lammetjes neergelegd. En toen deden de andere dieren het ook.

Daarom vertelde hij dus dat verhaal van het Zeebeest en het kleine Meisje, een verhaal, zei hij, voor als je werkelijk bang bent.
En ik, Sofie, heb het opgeschreven. Ook ik draag graag teenslippers, en het is waar dat ze waterbestendig zijn.

Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be