Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 41 van het kerkelijk jaar
Jesaja 37,9b-38 •
Het mooie verhaal van de wonderbaarlijke uitredding van de vrome koning Hizkia (716-687), maakt ons als mensen van de aanbrekende 21e eeuw eigenlijk jaloers. Het is allemaal zo anders. Het verhaal is zo schoon dat het verschillende malen in de Hebreeuwse bijbel voorkomt, 2Koningen 19,9-37 2Kronieken 32,17-21 Sirach 48,18-21. In die tijd was het makkelijk om godsdienstig te zijn; waarom is het thans zo moeilijk geworden? Toen reageerde God onmiddellijk en duidelijk, op het gebed van de gelovige; waarom nu niet meer? Wat zouden wij graag in die glorierijke tijd der vaderen geleefd hebben, in de plaats van nu. Wij moeten het immers stellen met een uitermate dubbelzinnige wereld, en wij zitten vol twijfels.
Om ons verhaal goed te verstaan moeten wij terugkeren naar de tijd van de profeet Jesaja. Het eerste deel van het boek van de profeet, eindigt met geschiedenissen over Hizkia en Jesaja (hoofdstukken 36-39). Heel anders dan zijn vader Achaz, keert Hizkia terug tot de God van Israël. Ook in politiek opzicht verandert hij het beleid, hij wil zich losmaken van het machtige Assyrië, waarvan zijn vader een vazal geworden was. De toenmalige koning van Assyrië, Sanherib (704-681), marcheert met zijn leger naar Juda en verovert stad na stad. Hij neemt Lakis en Libna, ten zuidwesten van Jeruzalem, en wil blijkbaar de hoofdstad als laatste bewaren. Ondertussen stuurt Sanherib twee bedreigingen aan Hizkia en wil hem zo tot overgave brengen.
Ons gedeelte begint bij de tweede bedreiging, en situeert zich omstreeks het jaar 701 v.Chr.. Deze tweede intimidatiepoging van Sanherib komt hierop neer, dat alle andere goden de veroverde steden en koninkrijken niet hebben kunnen beschermen tegen de macht van Assur. Waarom zou de God van Hizkia Jeruzalem wel kunnen beschermen? Hizkia legt de brief met deze inhoud voor JHWH in de tempel, en bidt. Hij belijdt dat de God van Israël de enige God is. Hij heeft immers de hemel en de aarde gemaakt. Sanherib heeft gelijk wanneer hij zegt dat de andere goden geen stand hebben gehouden, maar dat waren dan ook geen goden. Maar gij, JHWH, red ons, en alle volkeren der aarde zullen weten dat gij werkelijk God zijt. De vrome Hizkia krijgt op zijn theologisch zwaarwegend gebed een antwoord via de profeet Jesaja. Het antwoord is theologisch al even belangrijk. God zegt dat Sanherib hem persoonlijk beledigd heeft. Nochtans is het God zelf die alle veroveringen van de koning van Assyrië heeft gepland en mogelijk gemaakt. Sanherib is eigenlijk een werktuig in zijn hand. Maar nu is hij te ver gegaan, God zal een ring door zijn neus steken en een bid in zijn mond leggen, en hem zo, als een gevangene of als een bedwongen dier, naar zijn land doen terugkeren. En verder luidt het voor wat Jeruzalem betreft, dat hij in die stad niet zal binnenkomen en geen wal tegen haar zal opwerpen. God zal Jeruzalem redden, omwille van hemzelf en omwille van David.
Na Gods antwoord, volgt het merkwaardige vers 36, dat de ontknoping van het verhaal biedt. De engel des Heren gaat uit en slaat 185.000 man in het kamp van Assur. ‘s Morgens bij het opstaan zijn zij dood. Sanherib is gedwongen naar zijn hoofdstad Nineve terug te keren, en hij wordt er zelf door twee van zijn zonen gedood. Wij krijgen hier te maken met het wonder dat ons zo jaloers maakt op die bijbelse tijden.
Men kan en mag in dit verband echter de vraag stellen, wat er nu eigenlijk gebeurd is. Wat is de historische realiteit achter de mysterieuze uitdrukking: de engel van JHWH sloeg 185.000 man? Kunnen wij daarachter komen?
De koningen van Assyrië lieten hun annalen in spijkerschrift vastleggen op steen of in klei. Zo kennen wij de geschiedenis van Sanherib door het zeszijdig Taylor prisma, en door later gevonden parallelle teksten. Wij citeren uit een prisma dat in 1952 ontdekt werd (1). Het is Sanherib zelf die spreekt, ...de grote koning...de handhaver van het recht, die de gerechtigheid bemint, hulp verleent, de wees bijstaat, zich wijdt aan goede werken, de volmaakte held...
Wat betreft Hizkia van Juda, die zich niet onder mijn juk had gebogen: 46 van zijn versterkte steden, vestingen, en talloze kleine steden in hun omgeving, heb ik belegerd en veroverd... 200.150 mensen, jong en oud, mannen en vrouwen, paarden, muildieren, ezels, kamelen, groot- en kleinvee zonder tal, heb ik uit hun midden weggevoerd en als buit gerekend. Hemzelf (Hizkia) heb ik als een vogel in een kooi in Jeruzalem, zijn residentie, opgesloten. Met verschansingen heb ik hem ingesloten, om de vermetelheid van al wie door de stadspoort naar buiten kwam te vergelden. Zijn steden, die ik geplunderd had, heb ik van zijn land afgesneden, om ze aan...(andere koningen) te geven, en ik maakte aldus zijn land kleiner...
Sanherib vertelt niets over een engel en doden. Mogelijk verzwijgt hij tegenslagen om zijn imago niet te schaden. Uit zijn tekst is echter wel duidelijk dat hij Jeruzalem niet ingenomen heeft. Hij heeft enkel Hizkia als een vogel in zijn hoofdstad opgesloten met schansen. Waarom Jeruzalem nooit gevallen is, laat hij in het ongewisse.
Maar er is meer. De Griekse geschiedschrijver Herodotus (ongeveer 484-424 v.Chr.) vertelt het verhaal van de farao-priester Sethos (1). Moderne Egyptologen kennen geen farao Sethos, en vermoeden dat het eerder om een opperpriester van Ptah gaat. Hoe dan ook, Sethos schaft bepaalde privileges van het leger af, en krijgt de soldaten tegen zich, zodat ze Egypte niet meer willen verdedigen. Het verhaal vervolgt aldus.
Hierna rukte Sanherib, de koning der Assyriërs met een groot leger tegen Egypte op, maar nu wilden de Egyptische soldaten niet vechten. Toen ging de priester Sethos in uiterste nood de tempel van Hefaistos (de Egyptische god Ptah) binnen en klaagde bitter tegen het godenbeeld over het droevige lot dat hem te wachten stond. Terwijl hij daar zo stond te jammeren, overviel hem de slaap en in de droom leek het hem alsof de god bij hem stond en troostend zei, dat hem geen kwaad zou overkomen als hij vol vertrouwen het leger der Assyriërs tegemoet trok, want dat de god zelf hem helpers zou sturen. In vertrouwen op dit droomgezicht sloeg hij een kamp op met de Egyptenaren die hem wilden volgen bij Pelusium, want daar is de toegangsweg tot Egypte. Bij hem waren in het geheel geen soldaten, maar louter winkeliers en handwerkslui en marktkooplieden. Toen de tegenstanders daar ook gekomen waren, stortte zich ‘s nachts een zwerm veldmuizen over hen uit en die vraten hun pijlkokers en bogen en de draagriemen van hun schilden op, zodat ze de volgende dag ongewapend op de vlucht sloegen en velen van hen sneuvelden (Historiën II,141).
Het doen en laten van de vrome Sethos doet sterk denken aan Hizkia. De beide verhalen lopen eigenlijk parallel. De goddelijke redding bestaat hier niet uit de engel, maar uit de muizen die de wapens onbruikbaar maken. Ook hier zijn er veel doden bij de Assyriërs.
Wat moet men over deze oude teksten denken? Wij kunnen in dit verband niet alle vragen behandelen die zij oproepen, zoals de omstreden kwestie of Sanherib nu eenmaal of tweemaal tegen Jeruzalem opgetrokken is. Ook is het een feit dat Hizkia schatting betaald heeft aan Sanherib, maar in welke omstandigheden precies?... Wanneer de oude joodse schrijver Flavius Josefus de geschiedenis van zijn volk voor niet-joden verhaalt, dan zegt hij het volgende over ons Schriftgedeelte. Nadat Sanherib zijn dreigbrief voor Hizkia verstuurd heeft, trekt hij op tegen Egypte, maar zijn aanval mislukt. Het gebeurt daar allemaal rond Pelusium. Bij die gelegenheid vertelt Josefus onder meer het verhaal van Herodotus. Wanneer Sanherib dan van Egypte terugkeert, vindt hij bij Jeruzalem het deel der troepen dat hij achtergelaten heeft. Deze soldaten lijden echter aan de builenpest, en zeer velen van hen zijn reeds gestorven. Daarop vlucht de koning met heel de rest van zijn leger naar Nineve (Antiquitates X,15-22). Flavius Josefus combineert dus Herodotus en de Hebreeuwse bijbel, en interpreteert het slaan van de engel als een pestepidemie. Het wonder wordt zo weg verklaard. Wellicht hebben de muizen (ratten) als verspreiders van ziekten, Josefus - en veel hedendaagse geleerden - op het idee van de pest gebracht. Men krijgt zo een rationele, geheel natuurlijke, verklaring van ons verhaal.
Een min of meer tegenovergestelde uitleg kan men vinden in Exodus Rabba 18,5 onder. De midrasj zegt dat de nacht van het slaan van de engel des Heren, de nacht van Pesach was (zie 2Kronieken 30). Hizkia en Israël reciteerden die nacht het hallel en waren bevreesd, daar Jeruzalem ieder ogenblik kon vallen door Sanherib. Maar toen zij ‘s morgens opstonden om het Sjema te zeggen en te bidden, vonden zij de lijken. De midrasj accentueert het wonderkarakter van het verhaal door de nadruk te leggen op Gods tussenkomst. De nachtelijke verlossing ten tijde van Hizkia is niets anders dan een voortzetting en een actualisering van de nachtelijke verlossing uit Egypte door JHWH bij de exodus.
Hoe staat het nu met dat wonder in ons verhaal, dat rechtstreekse ingrijpen Gods op het gebed van de gelovige, dat ons zo jaloers maakt? Onze tijden zijn zo totaal anders. Doorgaans beschouwt men een wonder als een bovennatuurlijk en onverklaarbaar gebeuren. Het wonder doorbreekt de natuurwet, en pas wanneer het dit duidelijk doet, wordt het erkend als een echt ingrijpen Gods. Het gevolg van een dergelijke definitie van het wonder is, dat God zich meer en meer uit onze wereld terugtrekt. De steeds verder gaande vooruitgang van de wetenschap, maakt dat wij steeds meer dingen kunnen begrijpen, en het onverklaarbare hoe langer hoe verder teruggedrongen wordt. Met andere woorden, het handelen Gods staat steeds aan de grens van ons kunnen, en moet steeds verder achteruitwijken. Zo blijkt bij nader inzien een dergelijke omschrijving van de zaak geheel onhoudbaar. God staat immers niet aan de rand van ons leven, maar er middenin. Een wonder kan onverklaarbaar zijn, maar dat hoeft helemaal niet. Het typische en kenmerkende voor een wonder is, dat men er God in aan het werk ziet! Wanneer men de hand Gods in iets onderkent, pas dan is het zover. Het wonder hangt dus samen met geloof, en niet met natuurlijk of bovennatuurlijk. Een atheïst zal over Sanherib en Hizkia zeggen: de pest heeft Jeruzalem gered. Een gelovige zal over het verhaal zeggen: God heeft Jeruzalem gered door de pestepidemie. Beide partijen hebben gelijk, ieder binnen de eigen levensbeschouwing.
Dit betekent in concreto voor ons, dat onze jaloezie met betrekking tot de bijbelse tijden geheel ongegrond is. De problemen toen, en de problemen nu, zijn dezelfde. Het was toen beslist niet makkelijker dan nu. Het volstaat de volledige geschiedenis van Hizkia te lezen, om te bemerken hoe moeilijk de man het gehad heeft, en hoe moeilijk zijn geloofsbeslissingen waren. Ook hij leefde in een dubbelzinnige wereld, vol onzekerheden, juist zoals wij. De Hebreeuwse bijbel kent immers ook valse profeten. Voor Hizkia toen en voor ons nu, geldt evenwel het toekomstvisioen van de profeet Jesaja: aan het einde der tijden zal alles nieuw worden en volledig duidelijk. Dan zal God echt als koning regeren.
Bron: Ds. G. Willems
Voetnoot
(1) De gedeeltelijke vertaling van de annalen van Sanherib waaruit wij citeren, kan men aantreffen in, L. Grollenberg, Atlas van de Bijbel, Amsterdam 1956, p.88v. De vertaling van Herodotus komt uit, O. Damsté, Oude Oosterse verhalen, (Prisma 461) Utrecht 1964, p.76. Voor de duidelijkheid hebben wij de tekst lichtjes bijgewerkt.
Franstalige versie: protestanet.be