Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

Honderddrie en vijftig vissen in een kofferbak

Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Of er nog wonderen gebeuren
Johannes 21 vers 11: Het net aan de andere zijde werpen

Bijbeltekst (NBV)

Johannes 21

1 Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. 2 Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas (dat betekent ‘tweeling'), Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen. 3 Petrus zei: ‘Ik ga vissen.' ‘Wij gaan met je mee,' zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. 4 Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever, al wisten de leerlingen niet dat het Jezus was. 5 Hij riep: ‘Hebben jullie soms iets te eten?' ‘Nee,' antwoordden ze. 6 ‘Gooi het net aan stuurboord uit,' riep Jezus, ‘dan lukt het wel.' Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. 7 De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!' Zodra Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn bovenkleed op - meer had hij niet aan - en sprong in het water. 8 De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el. 9 Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. 10 Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben.' 11 Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet. 12 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.' Geen van de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de Heer was. 13 Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis. 14 Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat hij uit de dood was opgestaan.
15 Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Simon Petrus aan: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan de anderen hier?' Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.' Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.' 16 Nog eens vroeg hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je me lief?' Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.' Jezus zei: ‘Hoed mijn schapen,' 17 en voor de derde maal vroeg hij hem: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van me?' Petrus werd verdrietig omdat hij voor de derde keer vroeg of hij van hem hield. Hij zei: ‘Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd.' Jezus zei: ‘Weid mijn schapen. 18 Waarachtig, ik verzeker je: toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.' 19 Met deze woorden duidde hij aan hoe Petrus zou sterven tot eer van God. Daarna zei hij: ‘Volg mij.'
20 Toen Petrus zich omdraaide zag hij dat de leerling van wie Jezus hield hen volgde - de leerling die zich tijdens de maaltijd naar Jezus toegebogen had om te vragen wie het was die hem zou verraden. 21 Toen Petrus hem zag vroeg hij Jezus: ‘En wat gebeurt er met hem, Heer?' 22 Maar Jezus antwoordde: ‘Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat ik kom. Maar jij moet mij volgen.' 23 Op grond van deze uitspraak hebben sommige broeders en zusters gedacht dat deze leerling niet zou sterven, maar Jezus had niet gezegd: ‘Hij zal niet sterven,' maar: ‘Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat ik kom.'
24 Het is deze leerling die over dit alles getuigenis aflegt, en het ook heeft opgeschreven. Wij weten dat zijn getuigenis betrouwbaar is. 25 Jezus heeft nog veel meer gedaan: als al zijn daden, een voor een, opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk ik, te klein zijn voor de boeken die dan geschreven moesten worden.

Verhaal

Bijbels verhaal verteld voor kinderenDominee Geurs, hij stond in Gent, nu zit hij in Friesland, zei tegen ons in de kerk dat hij een stuntje had uitgehaald, een soort grap. Hij moest die zondag een preek houden over de ‘wonderlijke visvangst'. Je weet misschien wel, dat was toen de discipelen op de Heer moesten wachten, en Petrus zei: "Ik ga maar vissen, dan heb ik wat te doen". En ze gingen en ze vingen helemaal niets. En toen zat de Heer opeens daar, bij een vuurtje, en Hij zei: "Heb je niets te eten? Gooi dan je net aan de andere kant!" En toen zat het boordevol, 153 vissen, het net scheurde bijna.

"Daarover ga ik preken", zegt hij, "en ik rijd in mijn auto langs de vaart naar de kerk. Stel je voor: in mijn kofferbak ligt mijn koffertje met de toga, en mijn schrift er bovenop met de preek over de vissen.
Ik rijd langs het water, en ik stop om even te kijken of mijn schrift wel echt in mijn koffertje zit. En dan zie ik aan de vaart een visser zitten. Op een krukje, met een emmertje naast zich. Hij kijkt niet op of om, hij tuurt maar naar de dobber.
"Goede morgen, visser", zeg ik.
Hij zegt niets, hij tuurt naar zijn dobber.
"Hebt u al wat gevangen, visser?" vraag ik.
Ik zie aan zijn rug dat hij gromt, en dat betekent zeker: nee.
"Weet u", zeg ik, en ik klop met mijn hand op het deksel, "weet u dat ik honderddrie en vijftig vissen in mijn kofferbak heb!?"
"Moet ik dat geloven?"vraagt hij, maar hij draait zich nu toch om.
"Ja, hier", zeg ik, en ik klop nog een keer op mijn kofferbak.
Hij kijk mij aan, van hoofd tot voeten. Hij ziet mijn zwarte pak, mijn parelgrijze stropdas. Hij knikt. "U bent zeker een dominee", zegt hij.
"Hoe wéét u dat?" vraag ik.
"Dat zie ik aan uw pak. Niemand anders loopt er op de vroege zondag zo deftig bij. Dat doen alleen dominees!"
En maar knikken met zijn hoofd.
"Ze zitten in dit schrift", zeg ik, "ik ga over vissen preken! God geeft ze, echt waar!"
"Ik wens u veel succes", zegt hij, "Maar ik weet zeker dat u niet één visje vangt, en ik ook niet, denk ik, u hebt ze allemaal weggejaagd!"
Hij knikte weer, en klopte op zijn lege emmertje. "Min 153", zegt hij, dat was zeker een grapje.
Stilletjes ben ik weggegaan, want ja, dàt wilde ik niet op mijn geweten hebben om zijn vissen af te schrikken. Dus ik zit alweer in de auto, en ik start de motor. Ik zie hem zuur lachen, hoofdschudden en de schouders ophalen. En wat gebeurt.

Hij gooit per vergis omdat hij niet oplet zijn haakje uit in de moddersloot die daar ook is. Opeens beweegt zijn dobber.
Hij draait aan zijn hendeltje en haalt een grote karper op.
Ik zie hem nog staan. Ik rijd weg, hij heeft de vis in de hand. Hij weet niet hoe hij het heeft. Ik zie aan zijn mond dat hij: Dank u wel zegt. Ik laat mijn raampje zakken. "Dat moet u zeggen tegen God", zeg ik. "En een goede vangst verder!"

"Dit was mijn verhaal", zegt hij in de kerk tegen zijn twaalf catechisanten. "Weet je", zegt hij, "soms weet je niet wat God met je doet. Dan zit je daar aan de vaart met je lege emmertje, en je denkt: ik vang niks, en dan komt er ook nog zo'n dominee in zijn zwarte pak en jaagt me al mijn vissen weg die ik van plan was te vangen. En dan opeens... húp!! En je hebt er een, en weer een, en nog een, een emmer vol, met een kop er op!"
Toen zei Pascal een van de twaalf: "Ja, soms moet je je net in de sloot uitgooien, de vis was veel dichterbij dan die visser dacht!"
Iedereen in de kerk is tevreden, en denkt: mooi, einde verhaal, nu begin van de preek!

Maar zo is het niet. Ik ben catechisant Sofie en schrijf dit verhaal op. Ik laat hier de dominee zelf vertellen: "Ik zou juist beginnen te preken, en wat zie ik toen ik toevallig naar de deur keek!? Een hengel die de kerk binnenkomt. En toen een hand die de hengel vasthield. En toen een man. Dé man, de visser, die ik had gesproken aan de vaart. Stil schoof hij in de achterste bank De vis had hij in zijn emmertje liggen. Dat wist ik zeker, want tijdens de preek over de 153 vissen sloeg hij een paar keer hard met zijn staart. Het hoofd van de man verdween, want hij moest hem oppakken van onder de bank.

Zo gaat dat, zei de dominee, als je in de kerk over vissen preekt.

Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be