Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 26 van het kerkelijk jaar
Matteüs 28,16-20 • Jesaja 43,1-8 •
Aan de verschijningen van de opgestane Jezus is op een bepaald ogenblik een einde gekomen. Op zichzelf was dit misschien niet noodzakelijk. Men zou zich kunnen voorstellen dat sinds Pasen de Opgestane de eeuwen door, van tijd tot tijd, verschijnt om zijn volgelingen te begeleiden. In de joodse overlevering schrijft men een dergelijke rol toe aan de profeet Elia. Maar zo is het niet gegaan met Jezus. Zelfs de apostel Paulus, die niet uitdrukkelijk over een afscheid van Jezus spreekt, zegt dat hij het allerlaatst ook aan hem verschenen is (1Korintiërs 15,8). Dit vooronderstelt dat de verschijningen toen opgehouden zijn. In de traditionele kerkelijke leer laat men Jezus’ aardse leven, en ook zijn verschijningen, ophouden met zijn hemelvaart. Maar de hemelvaart staat in het Nieuwe Testament niet zo centraal als bijvoorbeeld de Goede Vrijdag en Pasen. Over de hemelvaart wordt zeer weinig gesproken, en onze traditionele hemelvaart, 40 dagen na Pasen, op de Olijfberg, gaat uitsluitend terug op Handelingen 1.
Wat vertellen de evangeliën eigenlijk over een afscheid van Jezus? Het slot van Marcus is duidelijk een latere compilatie, die aan het plots afbrekende evangelie werd toegevoegd. Het komt dan ook in sommige handschriften niet voor. Het Lucasevangelie eindigt met een zegen gegeven bij Betanië (aan de Olijfberg). Vervolgens wordt Jezus opgenomen ten hemel. Dit gebeurt blijkbaar nog op de paasdag zelf; er wordt niets over een lange periode van 40 dagen gezegd. Lucas vertelt de dingen hier heel anders dan in Handelingen 1. Johannes’ eerste slot vermeldt wel dat Jezus moet opvaren naar zijn Vader (20,17), maar over die hemelvaart wordt verder niets verteld. In het oude tweede slot, worden verhalen verteld die spelen in Galilea (meer van Tiberias). En dan is er het einde van Matteüs, onze eerste Schriftlezing. Het gaat er om een berg in Galilea, die niet genoemd wordt. Wellicht kan men deze enigszins vergelijken met de Olijfberg van Lucas. Verder spreekt Matteüs niet over een hemelvaart. Zijn tekst maakt echter wel duidelijk dat het om een afscheid van de opgestane Jezus gaat. Jezus gaat weg van zijn elf discipelen, hij zal er voortaan niet meer zijn, en hij zegt: En zie, ik ben met u, alle dagen, tot aan de voleinding der wereld. Het is wel een merkwaardige tegenspraak, men gaat weg en zegt, ik ben altijd bij u! Wij zeggen bij een afscheid wel, ik zal altijd aan u denken, of ik zal u nooit vergeten, of ge zult altijd een plaats in mijn hart hebben, maar dat is nog niet, ik ben altijd met u tot het einde der tijden. Het is tevens met deze merkwaardige zin dat het hele Matteüsevangelie afsluit.
Om de laatste zin van het Matteüsevangelie goed te verstaan, moet men deze in het bredere bijbelse perspectief plaatsen en lezen. Laat ons beginnen met het eerste stuk ik ben met u. In de Hebreeuwse bijbel vindt men deze en dergelijke uitdrukkingen vele malen. Het met u, in dergelijke uitspraken, houdt er verband met de verbondsgedachte. God heeft een speciale band met zijn uitverkoren volk Israël, en binnen dat raam functioneert het goddelijke ik ben met u. Laat ons een aantal voorbeelden bekijken, als peilingen in een uitgestrekte zee.
Genesis 28,15 heeft het over de aartsvader Jakob. Nadat deze zijn blinde vader Isaak bedrogen heeft en het eerstgeboorterecht aan zijn broer ontstolen heeft, moet hij het land verlaten. Wanneer hij bij Betel te slapen ligt, op weg naar het buitenland, heeft hij een droom. Hij ziet een ladder die tot in de hemel reikt en God zegt hem, ik ben met u. God belooft, ondanks alles, Jakob te bewaren en niet te verlaten in den vreemde. Dit is wel iets buitengewoon, want de oude volkeren meenden dat de macht der goden slechts reikte tot bepaalde grenzen, zoals van steden of landen. Iedere god had zijn eigen gebied. De God van Israël blijkt echter machtiger, en belooft Jakob terug te brengen, en de lands- en volksbelofte waar te maken. Achter het ik ben met u, zit het verbond met de aartsvaders. In Exodus 3,12 gaat het over de roeping van Mozes als leider van de uittocht. Eerst is er bij Horeb het brandende braambos, en dan spreekt God tot hem. Mozes twijfelt aan zichzelf, en God zegt dat hij met hem zal zijn. En dan openbaart hij zijn onuitspreekbare naam. Ook hier zit achter onze uitdrukking, het verbond met de aartsvaders en de komende uittocht.
Met de Babylonische ballingschap wordt deze nabijheid Gods niet opgeheven, integendeel, onze aangrijpende tweede Schriftlezing bewijst dit. In Jesaja 43,5 spreekt God tijdens de ballingschap tot Jakob of Israël, wat dus eigenlijk staat voor het hele volk. Hij zegt niet te vrezen, wanneer men door water gaat of wanneer men door vuur trekt. Vrees niet, want ik ben met u. God belooft tevens de ballingen uit alle windstreken te doen terugkeren... Als laatste voorbeeld zou men nog kunnen noemen Haggai 1,13. Deze profeet treedt op na de terugkeer van 538 v.Chr. uit de ballingschap. Samen met Zacharia pleit hij voor de herbouw van de tempel te Jeruzalem. De profeet brengt voor het volk een orakel van JHWH over, dat heel eenvoudig luidt: Ik ben met u (in het meervoud, want het slaat op het volk). Men ziet maar, deze peilingen tonen aan dat men voorbeelden kan vinden in de hele verbondsgeschiedenis van Israël.
Wanneer men in het Nieuwe Testament kijkt naar het evangelie dat ons bezighoudt, dat van Matteüs, dan moet men zeggen dat de formule ik ben met u er aan de figuur van Jezus gekoppeld wordt, en niet rechtstreeks aan God. Men mag daar echter geen haastige conclusies uit trekken. Eerst dient men te verstaan. Het Nieuwe Testament kan omschreven worden als een speciale faze in de verbondsgeschiedenis van het joodse volk. Het gaat om de Messiaanse faze, die aan de voleinding voorafgaat. Reeds in het allereerste verhaal van het Matteüsevangelie duikt onze formule op (1,23). Als Maria zwanger blijkt, wil Jozef haar verlaten. Maar een engel openbaart hem in een droom het geheim van het kind dat zich aanmeldt. De evangelist verwijst voor dit alles naar de profetie van Jesaja 7,14 die de geboorte van Immanuël aankondigt, wat betekent God met ons. Met andere woorden, Jezus’ optreden wordt een teken van Gods ik ben met u. In Jezus’ Messiaanse activiteit komt het koningschap van God over Israël en de volken dichterbij. Gods definitieve ‘met de mensen zijn’, nadert via deze faze van de geschiedenis.
In het laatste vers van Matteüs is de Opgestane aan het woord. Hij is méér dan de Jezus van vóór de verrijzenis. Hij heeft reeds deel gekregen aan de wereld die hoort bij het Rijk Gods. Als zodanig heeft hij een gezag en een macht die verder reiken dan die van een profeet. Zijn autoriteit houdt verband met die van God zelf. Zo kan Jezus zelfs midden in het evangelie, anticiperend op zijn verrijzenis, zeggen, waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben ik in hun midden (18,20). Dit staat vlakbij het ik ben met u uit ons slotvers. Jezus vervangt God niet, en komt niet in zijn plaats, ook wordt hij geen God. Maar als Messias heeft hij wel van God een opdracht en macht ontvangen, vooral sinds God hem uit de dood opwekte. In Jezus’ ik ben met u, klinkt Gods ik ben met u door. Jezus als verheerlijkte Messias, illustreert Gods presentie bij zijn volk en bij de volken. Hij zegt, ik ben met u.
Verduidelijkend wordt eraan toegevoegd, alle dagen. Niet van tijd tot tijd, op toevallige wijze. Neen, dagelijks, wat er ook gebeurt. Dit betekent bij het dagelijks brood, het dagelijks werk, het dagelijks leven. Men is nooit zonder hem. Ook moet men nog even ingaan op het met u. Dit u staat er niet, zoals men op grond van de vertaling zou kunnen denken, in het enkelvoud (jou), wel in het meervoud (jullie). Het gaat dus niet om een individu, wel om een gemeenschap. De context maakt duidelijk dat men in de eerste plaats moet denken aan de discipelen, als de gevolmachtigde gezondenen. Maar ook, in de toekomst, aan allen die rechtstreeks of onrechtstreeks door hen gedoopt zullen worden, uit alle volkeren. Het gaat om de apostolische universele Kerk van Christus, om het deftig te zeggen. Men kan het ook anders formuleren en spreken over het Messiaanse volk, of beter, verbondsvolk. Dit alles betekent niet dat de individuele christen in de kou blijft staan, zeker niet. Wel wil dit zeggen dat het individu thuis hoort in het bredere volksverband. Pas daardoor kan men zeggen, de Verrezene is met u in de kwade en de goede dagen. In de moeilijke tijden van vervolging en miskenning; dan is hij er vooral als bron van hoop en kracht en troost. In de voorspoedige tijden van overwinning en triomf, is hij er ook. Misschien is het dan nog meer nodig, want in die tijden dreigt de overmoed. Men is ervan overtuigd dat men het allemaal zelf gemaakt heeft en dat men het eigen leven volledig in handen heeft. Waartoe zou God nog dienen in die omstandigheden? De enige heer blijft echter God en zijn Messias. Ook in de gevaarlijke voorspoed, wanneer ik hem vergeet, is hij met mij.
Tot aan de voleinding der wereld zo luidt het laatste deel van ons vers. Men kan ook vertalen tot het einde der tijden, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt. Voor het denken van Matteüs houdt de uitdrukking in, èn het komen van de Messias en van God, èn het laatste oordeel, allebei als einde van deze bedeling (zie 24,3 en 13,39 49). Het markante hierbij is dat dan de presentie van de verheerlijkte Messias en van God, zichtbaar en reëel zal zijn. Tot dat ogenblik is dit juist niet het geval. Deze aanwezigheid van beiden zal dan tevens het oordeel over de mensen betekenen en de scheiding van goeden en bozen. Pas dan zal het Rijk Gods aanbreken, dat voor eeuwig zal bestaan en voor goed de beperkte Messiaanse tijd zal aflossen. De Messiaanse tijden zijn slechts een voorspel voor Gods eeuwigdurend koningschap op aarde.
Deze bijbelse visie op de tijd betekent dat onze wereld niet eeuwigdurend is (een eindeloos lineair tijdsbeeld), of dat zij ook niet bestaat uit een eeuwige terugkeer van hetzelfde (een cyclisch tijdsbeeld). De wereld heeft een begin en een einde, waarin God zich telkens duidelijk openbaart. Het gaat om de schepping en het laatste oordeel. Tussen deze twee uitersten in, is God slechts verborgen aanwezig. Dit geldt zowel van zijn verbondsgeschiedenis met Israël, als van zijn bijzondere daden in de Messiaanse tijd. Dat is de moeilijkheid van onze tijd, Gods schijnbare afwezigheid. Maar juist temidden van de ogenschijnlijke godverlatenheid van deze wereld, klinkt het ik ben met u. Het is de stem van God, de stem van zijn verheerlijkte Messias. De tijd van de aardse Messias is voorbij en men hoeft daar niet om te treuren, men beleeft nu grotere dingen. De huidige godnabijheid is gegrond op het verbond, op de verrijzenis van de Christus. Dit ik ben met u is ons toegezegd tot het einde van deze bedeling. Daarna volgt het Koninkrijk der hemelen waarbij God alles zal zijn in allen.
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be