Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Over kerststalletjes
Lukas 2: ...en legde Hem in de kribbe
Lukas 2
1 In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. 2 Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. 3 Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. 4 Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, 5 om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. 6 Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, 7 en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. 8 Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. 9 Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. 10 De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: 11 vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de Heer. 12 Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.' 13 En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden:
14 ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.
15 Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.' 16 Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. 17 Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. 18 Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, 19 maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. 20 De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd. 21 Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen.
22 Toen de tijd was aangebroken dat ze zich overeenkomstig de wet van Mozes rein moesten laten verklaren, brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan de Heer aan te bieden, 23 zoals is voorgeschreven in de wet van de Heer: ‘Elke eerstgeboren zoon moet aan de Heer worden toegewijd.' 24 Ook wilden ze het offer brengen dat de wet van de Heer voorschrijft: een koppel tortelduiven of twee jonge gewone duiven.
25 Er woonde toen in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem. 26 Het was hem door de heilige Geest geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de messias van de Heer zou hebben gezien. 27 Gedreven door de Geest kwam hij naar de tempel, en toen Jezus' ouders hun kind daar binnenbrachten om met hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, 28 nam hij het in zijn armen en loofde hij God met de woorden:
29 ‘Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals u hebt beloofd.
30 Want met eigen ogen heb ik de redding gezien
31 die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken:
32 een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.'
33 Zijn vader en moeder waren verbaasd over wat er over hem werd gezegd. 34 Simeon zegende hen en zei tegen Maria, zijn moeder: ‘Weet wel dat velen in Israël door hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt, 35 en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden. Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen.'
36 Er was daar ook een profetes, Hanna, de dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; vanaf haar huwbare leeftijd had ze zeven jaar met haar man geleefd, 37 en ze was nu al vierentachtig jaar weduwe. Ze was altijd in de tempel, waar ze God dag en nacht diende met vasten en bidden. 38 Op dat moment kwam ze naar hen toe, bracht hulde aan God en sprak over het kind met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem.
39 Toen ze alles overeenkomstig de wet van de Heer hadden gedaan, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats Nazaret. 40 Het kind groeide op, werd sterk en was begiftigd met wijsheid; Gods genade rustte op hem.
41 Zijn ouders gingen jaarlijks voor het pesachfeest naar Jeruzalem. 42 Toen hij twaalf jaar was, maakten ze weer hun gebruikelijke pelgrimstocht. 43 Na afloop van het feest vertrokken ze naar huis, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders het wisten. 44 In de veronderstelling dat hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een hele dag voordat ze hem overal onder hun verwanten en bekenden begonnen te zoeken. 45 Toen ze hem niet vonden, keerden ze terug naar Jeruzalem om hem daar te zoeken. 46 Na drie dagen vonden ze hem in de tempel, waar hij tussen de leraren zat, terwijl hij naar hen luisterde en hun vragen stelde. 47 Allen die hem hoorden stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden. 48 Toen zijn ouders hem zagen, waren ze ontzet, en zijn moeder zei tegen hem: ‘Kind, wat heb je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar je gezocht.' 49 Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?' 50 Maar ze begrepen niet wat hij tegen hen zei. 51 Hij reisde met hen terug naar Nazaret en was hun voortaan gehoorzaam. Zijn moeder sloot alles wat er met hem gebeurd was in haar hart. 52 Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe. Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen.
Ik zal je eerst zeggen hoe ik aan dat eerste kerststalletje kwam. Ik heb het bij de vuilnis gevonden, je gelooft het niet wat mensen al niet bij het huisvuil dumpen. Ik fietste er langs, en ik zag zoals gewoonlijk niks, ik zit veel in gedachten, mijn hoofd is te vol voor zoveel dingen tegelijk, zeker nu mijn moeder ziek is. Maar op de hoek rem ik, en ik zeg: ‘Sofie, zag je dat? Wat stond daar bij die vuilnisbakken eigenlijk?'
Ik dus terug, en ja hoor, een kerststal was het. Ze hadden hem zomaar bovenop een deksel gezet, alsof ze wilden zeggen: wie wil mag hem hebben. Nou, ik wilde niet, wat heb je aan zo'n ding en dan ook nog zo afgetrapt en versleten. Maar laten staan... dat kan je eigenlijk ook niet maken. Misschien kan je er nog iemand blij mee maken. Mijn moeder bijvoorbeeld, die ligt in het U.Z.G. en het ziet er niet naar uit dat die voor de feestdagen thuiskomt. Als ik dit ding eens een beetje oplap, wie weet valt het mee, en kijk, de figuurtjes zitten er vast ingeplakt, die kan ik dus niet verliezen. Kom op, Sofie, overtref jezelf!
Ik dus met die kerststal op de bagagedrager naar huis, tegen wil en dank, want ik zag de buren lachen, die kennen mij wel met mijn grote mond, ik zag aan hun gebaren achter het raam dat ze zeiden: ‘Zie je die Sofie? Haar moeder ligt in het ziekenhuis, en opeens is ze vroom!'
Nou, vroom niet hoor, dat weet mijn vriendin Letitia die kwam kijken, en zij is het ook niet. Ze kwam horen hoe het stond met mijn sollicitaties, want ik wil een baantje om mijn studie te betalen. Ik doe namelijk kunstgeschiedenis. ‘Ik heb nog niks", zeg ik tegen mijn vriendin, ‘er mag wel een wonder gebeuren, ik kom nooit aan de beurt!'
"Geloof jij in wonderen?" vroeg Letitia.
Samen hebben wij dat stalletje schoongemaakt en van dakbedekking voorzien, gewoon wat houtwol met een glittersterretje hier en daar.
‘Als je onder het dak een lichtje hangt, en het is donker, dan zal je eens zien hoe mooi je moeder dat vindt!' zei Letitia. ‘Het is van voren open, dan schijnt het licht je tegemoet!'
Ja, het viel best mee nu dat stalletje eenmaal was opgeknapt. Dus ik zet het op zijn kant in een supermarkttas, de figuurtjes zitten toch vast, op de rest van het houtwol zet ik het, dan lachen de buren tenminste niet, omdat ze niks zien, en zo fietste ik die middag naar het U.Z.G. En waar ik in terecht kwam, ja, inrolde, ga ik nu vertellen, dat is werkelijk het toppunt.
Ik kom dus met mijn kerststal in de grote hal waar de balies zijn en de elektrische karretjes staan te wachten om mensen die slecht ter been zijn naar de poli's te vervoeren. De bestuurders zaten mij aan te kijken met open mond, wat mannen meestal doen als ze mij zien. "Waar moet je heen, juffer", vroeg er een, "kan ik je een lift geven?"
Dat leek mij geen slecht idee, want ik zag mijzelf niet met een kerststal voor mijn buik het gebouw doorsjouwen. Ik zette hem dus op de achterbank, en ging zelf naast de bestuurder zitten. Binnen een minuut wist ik al dat hij Herman heette en gescheiden was.
Op dat moment viel mij in dat het misschien toch niet zo'n goed idee was om met die kerststal bij mijn moeder aan te komen, want zij is namelijk nog al heel erg protestant. Eigenlijk wist ik helemaal niet wat voor gezicht ze zou zetten als ik met het hele kerstverhaal in hout binnenkwam. Maar ik had het nummer van de afdeling al opgegeven, en de bestuurder reed.
"Ik dacht", zei hij, "dat u voor de tentoonstelling kwam".
"Welke tentoonstelling?" vraag ik
Hij reed de centrale straat in, die in een boog door het hele gebouw heenloopt. "Kijkt u daar, ziet u die vitrine?"
"Helemaal vol kerststalletjes!" zei ik.
"Vitrines, er staan er tientallen", zei hij, "en tafels ook, het stikt van de kerststallen hier. Een initiatief van het Bureau Culturele Zaken".
"Die willen zich zeker lekker uitsloven", zei ik, "waardeloos vind ik dit, weet u, zo ouderwets en sentimenteel!"
"Hangt ervan af hoe je het bekijkt", zei hij.
"Ja, u wordt betaald om uw mond te houden", zeg ik.
"Maar u hebt ook een stalletje bij u, wilt u die dan toch bij de verzameling zetten?"
Dat was een idee, als ik het ding ergens even kon parkeren, op een tafel of zo, dan leek het of dat stalletje bij de verzameling hoorde, en kon ik mijn moeder eerst even polsen. "Rijd u maar even rond", zei ik tegen de bestuurder.
Dat deed hij, en zo zag ik de hele tentoonstelling in vogelvlucht, als je dat zo kunt zeggen. Maar nergens was plaats, ook op de tafels niet, en de mijne had echt wel een flinke hoek nodig.
"We zijn het gebouw rond", zei hij, "mag ik u prettige kerstdagen wensen".
Daar stond ik weer op het beginpunt met de stal naast mij op een stoel, een van zo'n serie die aan elkaar vastzitten als je met je kruk op een taxi zit te wachten. "Mooie stal", zegt zo'n invalide.
Ja, mooi, maar waar laat ik hem. Maar wacht eens. Daar bij die laatste vitrine is een glazen geval, rond, een soort zomerprieel. Aan alle kanten kijk je er doorheen. Ik loop terug. De wanden hebben glazen platen, er staan medische apparaten op, ouderwetse dingen, spuiten met veel glimmend koper en tangen. Zeker ook een expositie, je kan er zo inlopen. Hé, een van de glazen schuifdeuren staat op een kier. Daarachter is plaats genoeg. Weet je wat, Sofie, daar zet jij gewoon je kerststal in, tussen die spuiten en tangen. Die bijten elkaar niet, en misschien denken ze wel dat het de bedoeling is.
Ik dus terug naar die stoel om mijn kerststal te halen. Daar staat een jongeman, een slanke, een beetje ouder dan ik, en hij staat een mededelingenbord te lezen. "Bent u van de Culturele Zaken, juffrouw", vraagt hij mij, "want ik zie dat er een tentoonstelling van kerststalletjes is. Kunt u mij daar wat over vertellen?"
"O jazeker", zeg ik, "maar dan moet ik dit eerst even op zijn plaats zetten!"
In dat glazen prieel zeg ik tegen mijzelf: "Sofie!! Dit is je kans! Maar waar ben jij mee bezig, meisje? Jij gaat iemand rondleiden langs een expositie? En je weet er niets van! En je bent bovendien helemaal niet van het Bureau voor Culturele Zaken!"
Ik keek in de spiegelruit waar mijn stalletje stond en bracht mijn haar op orde. "Want ja", zeg ik tegen mijn spiegelbeeld, "je moet toegeven, Sofie, het is een leuke vent!"
Ik dus terug. Daar staat hij nog, de leuke vent, maar er zijn ook twee vrouwen, zeker een moeder en een dochter, mensen uit de provincie, dat zie je. Zegt hij: "Dit is de juffrouw van het B.C.Z, het Bureau Culturele Zaken, zij gaat een rondleiding geven!"
"O, wat sympathiek dat jullie dit voor de mensen doen", zei de moeder met hoge kraaistem, "nietwaar Marjan, vooral als je straks naar de dokter moet, dat leidt je af!"
"Ja, nogal", zei Marjan toonloos - en daar stond ik.
"Het begin van de expositie is aan de andere kant", hoorde ik mijzelf zeggen, "als u even mee wilt komen?"
"Hoeveel tijd gaat het kosten", vroeg de moeder, "want mijn dochter moet straks naar de gynaecoloog!"
"Zolang en zo kort als u wilt!" zeg ik.
"Dan houden wij het op kort!" zei Marjan. En daar gingen wij. Ik had geen flauw benul wat wij zouden zien, en wat ik moest zeggen. Ik wist alleen het traject, want dat had ik gereden.
De eerst vitrine. "Is er een rondleiding?" vroeg een jonge vent die met een vooruitstekend poot in het gips doelloos tussen de fruitbakjes van de toko had gestaan. "Ja", zei de moeder, "je mag mee, als je uitkijkt met dat ingekokerde been van je, want mijn dochter mag niet vallen!"
Ik had ondertussen gezien dat bij elk stalletje een kaartje stond met een jaartal, en de plaats van herkomst. Best wel goed, en ik heb scherpe ogen, daar mankeert niets aan.
"Kijkt u, dames en heren", zeg ik, "hier staan wij bij de vitrine van noordelijke landen. Wij hebben alles soort bij soort gesteld. U ziet hier een inzending uit Denemarken, uit Kopenhagen de bovenste. Het stalletje is maar klein, want de meeste mensen zijn Luthers in Denemarken. Maar het is wel prachtig afgewerkt. Een soort houten cabine met stenen op het dak, en Jozef en Maria gekleed voor een strenge winter. Het Kindje is ook goed toegedekt.
Maria heeft de handen samen, net een Madonna, als katholieke minderheid moet je wel extra vroom zijn, dan maak je een punt!"
‘Grut Sofie", zeg ik bij mijzelf, ‘hoe kom je daarbij?'
"Hoe komt u daarbij, juffrouw?" vroeg de moeder, "ik vind dat helemaal waar en hoogst origineel!"
"Madonna", zei de gipsvoet, "bedoelt u die beroemde popster?"
"En achter de stal", zei ik, wat verbaasd, "ziet u een koopvaardijschip dat waarschijnlijk door het Kattegat komt".
"Die kunstenaar heeft het kerstgebeuren verplaatst naar zijn eigen land!" zei de moeder, en ze duwde ongemerkt het uitstekende been van de jongeman een stukje weg bij haar dochter.
"Dat gebeurt heel vaak, mevrouw, dat zult u zien", zei ik, maar ik had geen idee of wij het zouden zien, ik deed maar een gok. Maar het werkte, er werd aandachtig geluisterd, en dat gaf mij moed. Ik zei dus: "Die maker van deze stal wil het gebeuren dicht bij zijn mensen brengen. Zij moeten niet denken: oh, dat is een ver van mijn bedshow. Nee, en misschien stond er wel een stalletje aan de kant van de Baltische zee. En was de maker van dit stalletje hier een zeeman die daar regelmatig langskwam, want waarom zou hij anders een schip op de achtergrond zetten. Hij brengt in dit kleine dingetje misschien wel dank aan de Heer voor al de keren dat hij langs voer in weer en wind en tegen wil en dank!"
"Hoe kom je erop", zei de dochter, "ik geloof dat ik dit leuk ga vinden in plaats van stom, dit is het leven, zoals jij het zegt!"
"Tegen wil en dank", zei mijn geheime vriend (zo noem ik hem maar), "waarom zegt u dat?"
Hij keek mij aan, en ik hem. Onze blikken waren een draad waar spanning op stond, ik wist niet waarom maar hij had mij geraakt met die vraag.
Met de ogen op mij sprak hij verder. "Ik denk, het is omdat God niet ver weg is van de mensen. Ze zijn allemaal onderweg, wij ook, soms tegen wil en dank. En Hij staat aan de kant om te zeggen: Ik ben er. Hij zou zelfs geboren kunnen worden in je eigen huis - of hier".
"En in je hart, want daar gaat het toch om", zei de moeder, en draaide de rolstoel weg.
De stemming was gezet, er was aandacht. ‘Waar ben ik in terecht gekomen', dacht ik.
"Er is ook een stalletje uit IJsland", zei ik, "u ziet het hier, het is uit de vorige eeuw. Het materiaal is glas, het moeten blokken ijs voorstellen, je kunt er doorheen zien, dat is het mooie eraan. Het hele gebeuren van de Geboorte speelt zich in dat kleine koepeltje af".
"Het lijkt wel een eskimo-iglo!" zei de man met het gipsbeen, "dat slaat toch helemaal nergens op! Als ik mij niet vergis - Bethlehem, dat ligt toch in Israël?"
"Jij hebt ook helemaal niets gehoord, hè", zei de dochter die naar gynaecologie moest, "je denkt toch niet dat die maker debiel is, of dat hij zijn verstand in het gips heeft? Hij doet dit gewoon expres! En kijk toch eens hoe mooi het licht naar binnen komt, en zie je dat? Maria en het Kindje worden veel groter, als onder een vergrootglas!"
Ik zag mijn kans, want in de kerk hoor je wel eens wat. "Dat doet nou het licht", zeg ik, "het komt van boven, net als hier, het zit onder de kap van de vitrine. Dat licht komt bij je binnen, dat wil hij zeggen, en dan zie je wat van belang is, dat wordt groter, zo let je erop!"
"Dat hebben jullie geweldig goed gedaan, van het Bureau Cultuur, zo met die lamp erop!" zegt mijn verborgen vriend.
"Dat is een beetje toevallig", zeg ik, "want die lamp zat er al, wij hebben die iglo er alleen ondergeschoven. En er is ook een geiser, maar die spuit geen warm water, er komt een engel uit. Uit de waternevel komt een engel, ik vind dat een fijne fantasie".
"Waarom", vroeg de man met het gipsbeen. "Fantasie, wat heb je daar nou aan? Feiten, daar moet je het van hebben!"
"Een feit is dat u een gipsbeen hebt", zei de moeder, "maar als je nu op IJsland was, bij zo'n spuitende geiser, dan kon je denken: "God is dichtbij, straks zie ik een engel om mij naar de stal te wijzen. En mij te beschermen, zodat ik mijn andere been ook niet breek!"
"Kom mensen, wij gaan verder", zei ik. Maar ze wilden nog wat weten, mijn verborgen vriend vroeg: "Is IJsland katholiek, weet u dat?"
"Nee", zei ik, "ze zijn een republiek, en ze horen onder Denemarken, dus ze zijn ook Luthers daar. Maar er zijn veel vissers, en de zee is gevaarlijk, vandaar misschien die engel!"
Er waren mensen blijven staan om te luisteren. Die liepen nu ook al mee. Er was een jonge vrouw bij met een jongetje in een rolstoel. Ik vond het fantastisch, ik kreeg bepaald de geest. De moeder zei onder het verder gaan tegen haar dochter: "Marjan, God beschermt je op de wildste zeeën, en waar je ook bent, ook als je straks naar de dokter moet!"
"Laten we dat maar hopen", zei Marjan.
"Je moet dokters nooit geloven", zei de man met het been, "want ze liegen altijd, kijk naar mij! Ik houd mij overeind met een poster van Madonna boven mijn bed, echt waar, kom maar kijken!"
Wij liepen langs het centrale plein, waar de fonteinen zijn en het restaurant onder een luifel, waarboven de kapel zijn ramen glimmend naar de glazen overkapping heft waarboven de zon wat waterig staat..
Wij sloegen de hoek om en kwamen langs de andere kant bij de eerste tafels. Op de eerste stonden de inzendingen van Frankrijk en Duitsland naast elkaar, waarom mijn verborgen vriend moest glimlachen. ‘Hij weet zijn weetje', dacht ik, ‘hij is zeker niet dom!'
"Dames en heren", zei ik, "ziet u het verschil tussen deze beide landen. De kerststal uit Duitsland is een ernstig gebeuren. Ziet u hier links, daar komt Herodes aan. Dat staat op het kaartje, u kunt het straks lezen. Het stalletje - ik mag wel zeggen: de stal, zo groot is hij, is afkomstig uit het Zwarte Woud, u ziet de bergen bedekt met bomen, waar Herodes met zijn soldaten en zijn koningskroon doorheen marcheert. Heel het geboortegebeuren staat in de dreiging van die opmars, ook al staan rechts de engelen keurig in de rij als een kerkkoor te zingen".
Het jongetje in de rolstoel keek met zijn grote donkere ogen steeds naar mij. Dat kind was een en al oog, de rest zag je niet. Twee trillende bundels van contact. Maar wat zag hij er doodziek uit! Een skeletje, hij leunde in kussens geheel achterover, zijn hoofdje met die geweldige ogen ook. Sofie, waar ben je aan begonnen!
Een jong meisje dat naast hem liep, zeker zijn zusje, zei: "Die engeltjes hebben allemaal hun mondje open, ze zingen, zie je wel? En de middelste heeft een boekje in de hand!"
"Dat is", zei ik, "omdat de nacht heel donker is, zo'n stal als deze heeft zeker in een kerk gestaan, "en dan is er een kerkkoor om de Geboorte te vieren, en kijk, ze zingen eigenlijk met de engelen mee!"
"Als het donker is - ik weet hoe dat voelt", zei de jonge vrouw achter de rolstoel, "en dan moet je zingen en je kan niet. Ik zie dat dan de engelen het doen voor jou!" En andere mensen zeiden er ook het hunne van.
Ik had nog nooit zoveel ervaring gehoord in mijn leven als op deze wonderlijke tocht, ik moet zeggen, ik gaf wel de uitleg, dat was de aanzet, maar wat er dan uitkwam! Het meeste ging ver boven mijn pet.
"Ziet u", zeg ik, "wat een verschil het is met de inzending uit Frankrijk? Ook die is groot en bedekt de rest van de tafel en steekt nog over. Maar wat ludiek en wat vrolijk! Niks geen Herodes hier met moord en brand, je lacht al als je het ziet!"
Dat deden ze ook, ze drongen naar voren. De kinderen, er kwamen er steeds meer, heb ik vooraan gezet.
"Kijk hier", zei ik, "wat zie je hier aan de voorkant?"
"Allemaal kopjes van mensen", zei er een.
"Het lijkt of het stalletje een toneel is, en dat een hele hoop mensen zitten toe te kijken", zei een ander kind.
"Wij kijken ook toe", zei de dochter die naar gynaecologie moest, en haar moeder keek op haar horloge, "wij zijn dan zeker de achterste rij!"
"Nee, dat zijn wij", zei een groepje verpleegsters dat net uit de kantine kwam, zo te zien.
"En zo kan je doorgaan", zei ik, "als je wilt, hoor je erbij, het houdt nooit op".
Ik zag dat boven van de binnenbalkons ook al patiënten toekeken, die ons waarschijnlijk konden horen.
Het kindje Jezus was een echte pop, "het is van porselein, heel breekbaar, dat zie ik zo", zei een deskundig kindje in een feestjurk, maar op krukken. En er was ook een meisje van wie het gezichtje onder de moedervlekken zat, en het lichaampje ook, zij kwam van de afdeling oncologie. "Hij heeft zo'n mooi helder gezichtje", zei ze en streelde erover met haar gevlekte hand.
En er waren herders in groten getale, en de Wijzen natuurlijk met doosjes en kistjes van goud. En er stond een ministandaard voor wierook aan de voet van de kribbe, de stokjes lagen ernaast.
"Mag ik er eentje aansteken?" vroeg de jonge vrouw, "dat zou ik zo waarderen, en zeggen jullie allemaal dan even niets, een minuutje stilte, als het kan!"
"Wacht", zeg ik, "jij jochie met die grote ogen, jij kan toch zeker die wierook wel aansteken? Kom op!"
"Hij kan dat niet meer", zei de jonge vrouw, en ze fluisterde mij toe: "Mijn broertje heeft nog maar een paar dagen te leven, dit is zijn laatste rit, hij wou graag even van zaal af!"
"Dit is mijn laatste rit", zei het joch met de ogen, "ik hoor heus wel wat je zegt, en geef mij de lucifer nou maar, kom op met die wierook!"
"Zo mag ik het horen", zeg ik, "dat is echte mannentaal!'
‘Sofie', zeg ik, ‘nou ga je niet huilen, daar schiet niemand iets mee op!' Maar ik zag dat veel mensen tranen in de ogen hadden, vooral de fan van Madonna met de gipspoot. Behalve het joch met de grote ogen, en die had er toch de meeste reden voor.
Ik keek dus naar mijn gehoor, en wat zie ik. Om de hoek bij het restaurant komt een vrouw op ons af. Niet het type van iemand die op ziekenbezoek komt, maar meer het directietype. Lang en slank in een broekpak goed getailleerd, donkerblauw, ze kon zo uit een vliegtuig van Zaventem komen, laarsjes aan met hoge hakken die over de tegels schraapten, je hoorde haar al van verre komen En een sjaal met de knoop opzij en lang uitstekende punten onder een glitterbroche. Ik kreeg het er benauwd van, ze stak ook zeker een hoofd boven iedereen uit.
Het jochie met de grote ogen wachtte, ik schoof hem wat meer naar voren. "Hier heb je het doosje", zei ik, "ga je gang!"
Hij kwam met samengeknepen lippen overeind uit de kussens en hij stak het wierookstokje aan. "Nu moet jij het in het pootje zetten", zei hij tegen het zusje bij hem. De wierook steeg op, maar hij was nog niet tevreden. "Daar hangen engeltjes aan een draadje", zei hij, "die kunnen bewegen, hoe doe je dat?"
Daar zegt mijn verborgen vriend: "Daar moet je een kaarsje onder aansteken, dat staat in het kampvuur van de herders hier!"
Dat kampvuur moest aan, daarvoor moest het joch nog verder voorover buigen. "Je kunt het", zei ik, "en anders vang ik je wel op, zodat je niet in het kampvuur valt!"
Hij lachte. "Ik kan het", zei hij met zweet op het voorhoofd, "en anders vangt zij mij wel op!"
Er was niemand, of hij hield de adem in, en toen de engeltjes begonnen te bewegen, zij zaten aan een kartonnen wolkje vast, zuchtte iedereen. Vooral omdat een lamp schaduw op het groepje wierp, die over de hele voorstelling bewoog en draaide.
"Nu even stil", zei ik, "dat willen die mensen graag".
Maar het joch had nog iets. "Weet jij", vroeg hij en hij zei gewoon jij, "waarom er een hand steekt uit dat wolkje?"
Niemand had het gezien, behalve hij, uit het wolkje waaraan het draadje van de engelen vastzat, stak inderdaad een hand. Ik kende dat uit de boeken over Middeleeuwse kunst die ik moest bestuderen, ik zei dus: "Dat is de hand van God. Uit de hemel steekt Hij zijn hand naar ons uit, maar omdat Hij God is, bedekt Hem een wolk!"
Het kind keek naar boven, naar het glazen dak dat het plein en de straten overdekte. Eén draairaam in de hoogte stond open. "De zon schijnt", zei het kind. Zijn hoofdje was weer in de kussens gezakt. "Er zijn helemaal geen wolken. Maar als er een was, kon God zijn hand zomaar door dat raam naar binnen steken!".
Wij stonden een minuutje stil, zoals zij vroegen, maar er klonk steeds geschuifel, steeds meer mensen bleven staan en sloten zich aan, ik telde er zeker veertig, en steeds nog groeide de groep, dit werd een gebeuren. En ik, tegen wil en dank begonnen, wist niet wat mij overkwam, ik had niets voorbereid, ik deed alles op goed geluk.
Wij gingen verder naar het eind van de expositie, ik zag dat de grote vrouw achter ons voorzichtig de kaars in het kampvuur doofde, maar de wierook liet ze aan. En daarna sloot ze zich heel stil weer bij ons aan.
We zagen in een vitrine nog een kerststal in een glazen koker met tropische begroeiing, die kwam uit Curaçao, je kon er een lichtje in laten zakken dat door spiegeltjes werd weerkaatst tot een hele sterrenhemel, het leek een tropisch sprookje. We zagen een steppelandschap uit Wit-Rusland met de stal in de verte en een ster die kon bewegen omlaag, als een kabelbaan. Als je hem omhoog trok, gleed hij vanzelf naar beneden, zo wees hij je de weg. "Zo wijst hij ons de weg", zei de moeder met haar dochter, "want wij staan hier en zijn deel van de voorstelling geworden, net als bij die inzending van de Fransen!"
Ze keek weer op haar horloge. "Het duurt niet meer zolang, mevrouw!" zei ik. "Dan blijven we", zei de dochter, "ze wachten wel op gynaecologie, ik wil alles horen!"
Wij kwamen bij een inzending uit Peru. Volgens het kaartje dat erbij lag, was dit stalletje uit één stuk steen gesneden, de figuurtjes ook. Een steen uit het Andesgebergte, donkerbruin met witte aders, misschien van kiezel, die er doorheenliepen. Een golvende lijn was het, waarvan het breedste deel in de midden precies uitkwam bij het kribje met een helderwit Kindje dat één donkere ader dwars door zijn lichaampje had.
"Dit is het mooiste dat er bij is, vind ik", zei de moeder, "ik ben blij dat wij zijn gebleven om dit te zien! Ik zou het zo in mijn handen willen nemen om het te strelen, mag dat even?"
"Zo compact!" zei een man die een infuus aan een stang met zich meetrok. "Heel het gebeuren is uit één stuk, niets kan je eruit weghalen, alles, letterlijk àlles heeft zijn plaats!"
"De os is wit met een bruine kop, en de ezel bruin met witte oren, werkelijk geniaal!" zei een magere man met een ringbaard waar in de mondhoek een slablaadje hing, hij kwam zeker uit het restaurant, en hij liep op blote voeten.
"Dit was het laatste stalletje, dames en heren", zei ik.
"En dit dan, juffrouw?" vroeg de groep.
"Oh ja, behalve misschien nog even dit. Ziet u dit stalletje hier uitgesneden in ivoor, in de vorm van een pagode? Met bomen zo teer als filigraan over de opgaande daken? En engelen een met de takken en de lucht, de een boven de ander omdat de voorstelling steeds smaller wordt? Steeds ijler, steeds hoger, en die eindigt in een ster? Een lichtstraal is het in ivoor!"
Ik vergat in mijn bewondering mijn rol als gids, ik pakte het kunstwerk, het was uit Indonesië, op, ze stonden dicht om mij heen om het te bewonderen.
Toen zei de man op de blote voeten: "Juffrouw, weet u wat u in de hand hebt!?"
Zonder kwaad te vermoeden zei ik: "Een zeer groot kunstwerk. In deze slagtand van een olifant worden vorm en inhoud een. Dan pas ben je een echte kunstenaar!"
"Juist juffrouw!" riep hij over de hoofden heen, "de slagtand van een olifant! En dat is verboden met het oog op de wet op dierenbescherming. Hoe durven jullie van Cultuur dit stuk hier ten toon te stellen!"
En hij liep weg op hoge benen, het zou mij niets verbazen dat hij de weg naar het Bureau Culturele Zaken zou vragen, en dan viel ik als gids zeker door de mand.
De hele groep was stil, er stonden meer dan vijftig mensen. Ik wilde zeggen: Einde rondleiding, dank u wel! En ik vond het zonde dat die zo negatief moest eindigen. Maar wat gebeurt. Van een van de laagste binnenbalkons begon iemand te klappen en te roepen: "Bravo! Goed gedaan!" Het leek wel of die stem uit de hemel kwam. Heel de groep om mij heen lachte en klapte om mij over het dieptepunt heen te helpen.
"Hij heeft wel gelijk, die man", zei het jongetje met de grote ogen, "maar die olifant is misschien maar gewoon dood gegaan, net als ik straks ook. Juffrouw, hoe heet u?"
"Ik heet Sofie, en jij bent Lex, dat heb ik al gehoord!"
"Sofie, mag ik je iets vragen?"
"Ja, natuurlijk", riep ik, helemaal opgelucht, "zeg het maar, beste Lex!"
"Ik heb een laatste wens. Je hebt één kerststal overgeslagen., kunnen wij daar nog even heen?"
"Je bedoelt die hele grote waar je zelf in kunt", zei ik, "hij is bij de fontein, bedoel je die?"
"Ja die", zei hij met het hoofd terug in de kussens, maar met de ogen vol licht.
"Dat moet je doen, Sofie ", zei de groep diep geroerd, "het is zijn laatste wens, je kunt dit niet weigeren!"
En daar gingen wij met zijn allen langs de expositie terug, je kon het ruisen van de fonteinen als een welkom steeds duidelijker horen. En boven op de binnenbalkons stonden overal mensen, dat voelde ik, tot aan de hoogste toe. Ik heb ze niet gezien, maar ik voelde hun ogen. En daarboven was het glazen dak waar de winternacht begon te vallen over dit huis vol zieken. Ze stonden er voor Lex, ik weet het zeker, er ging iets gebeuren, het trok mij aan met macht, ik wist niet wat, maar het riep en het trok..
Wij waren ter plaatste, hier was het.
"Kijk hier", zei ik, "deze kerststal is bijna op ware grootte, hij is speciaal voor kinderen gemaakt, ik denk door een knutselaar. Kinderen, jullie mogen doen wat je wilt, het hele kerstverhaal kan je hier met elkaar spelen".
"Ai, wat leuk, Sofie!" werd er geroepen.
"Ja, kinderen, kijk, hier heb je een Jozef..."
"Het is een etalagepop", riep het kinderkoor, "dat kan je zien!"
"Ik denk het ook, ze hebben hem een Arabische mantel aangetrokken ..."
"Van een asielzoeker geleend!" zei Lex vanuit zijn stoel. Hij zocht iets en trok aan de arm van zijn zusje.
"En hier heb je Maria natuurlijk, ook een etalagepop, en dit is de krib, gemaakt van multiplex, dus hij kan tegen een stootje...
"Wat is ze mooi!" riepen de kinderen, "maar Sofie, er ligt geen kindje in. Mag deze baby daar liggen, hè, toe! Van zijn moeder mag het, en het stro ligt er al!"
"En hier", zei ik, heb je de os en de ezel, de os met horentjes van hout, gewoon dieren uit... een draaimolen, denk ik, met wieltjes, die hebben ze eronder gezet!"
Ze legden de baby in het stro, en ik zag de man die was weggelopen opeens, daar stond hij op zijn blote voeten bij de inlichtingenbalie. Hij kwam en hij duwde de os en de ezel op hun plaats bij de kribbe.
"En schaapjes zijn er ook, mijnheer!" riepen de kinderen, want de voorsten stonden al in de stal, en herders zijn er, twee, of nee, drie, ze zitten bij een kampvuur."
"Elektrische houtblokjes", zei Rex vanuit zijn stoel, "er ligt een draad, steek de stekker in het stopcontact, dan gaat het kampvuur branden!"
Dat deed de man op blote voeten onder groot gejuich, er was geen voorbijganger of hij stond stil. De lange Dame liep op haar laarsjes naar een schakelkast, ze deed een paar spotlichten aan. Er werd gefotografeerd, flitslichten, oogverblindend.
"We zetten de herders hier aan de kant!" riepen de kinderen, "dan is er plaats voor Jozef hier met zijn staf, en Maria komt hier staan, naast de kribbe! En, dom kind, houd eens op met huilen, dat doet het Kindeke Jezus niet op de Kerst, mevrouw, kunt u hem geen speentje geven?"
Ze waren klaar, daar stonden ze, allemaal, in en om de stal. "En Lex, wat wil je nu?"
"Ik wil het kindje mijn cadeautje geven", zei hij, "het cadeautje dat ik vanmiddag heb gekregen. Sofie, pak jij het even, het zit in dit net, achter aan mijn stoel, ik kan er niet bij!"
"Niks hoor", zeg ik, "Rex, dat kan je zelf. Je wilt het geven? Pak het zelf!"
"Kan ik niet", zei hij, "dat weet je toch!"
"Je kunt het, dat weet ik Pak het, Lex, en ga het naar het Kindje brengen!"
Er gebeurde iets op dat moment, iets waarop alles had gewacht. Iets dat nu moest gebeuren.
En alle onzichtbare ogen van overal keken toe, en boven stond het raam nog open. "Je kunt het", herhaalde ik zacht, "Lex, je weet het. Sta op, Lex en kom je geschenkje brengen. Lex, sta op, als je het doet noem ik je Rex!"
"Rex, wat is dat?" vroeg hij.
"Rex betekent koning", zei ik, "wil je dan geen koning zijn?"
"Als nog twee kinderen mee mogen komen", zei hij, "want volgens het verhaal moeten er op het feest toch drie koningen zijn?"
Hij stond op uit zijn stoel, eerst wat onwennig, een half jaar had hij niet op zijn beentjes gestaan. En daar ging hij op die dunne latjes, stap voor stap, door de schijnwerpers beschenen. En achter hem kwamen het meisje in haar feestjurkje op krukken en het andere meisje met de grote donkere moedervlek, met zijn drietjes, hij met het pakje in de hand, gewikkeld in kleurig kerstpapier. Met horten en stoten, soms stond hij stil, maar hij wilde geen hulp. Zijn ogen waren steeds gericht op de kribbe, waar een paar kinderarmpjes zwaaiden over de rand. En dan ging hij weer, tussen de kinderen door, die stonden nu links en rechts van de weg.
"Toe maar, Lex, je bent Rex, want je kunt het, hou vol!" riepen ze, en hij kon het, hij hield vol, als een kleine koning gedroeg hij zich. Daar stond hij, nu zocht hij mij, zijn armen gingen in de hoogte, en hij riep"Sofie, ik ben er, ik heb het gehaald!"
En ergens, helemaal boven tegen de nachthemel, waar de sterren stonden, bij het open raam, begon iemand te klappen. Anderen namen dat over en klapten mee, alle omstanders klapten, blijde monden riepen: "Lexje, je bent Rex, je hebt het gedààn!"
Hij was languit gevallen zoals sporters doen over de streep, ik moest hem helpen, het pakje schoof hij met beide handen naar voren, hij legde het zo bij het kribje neer, en daar moest het blijven, de drie Koningen namen hun geschenken niet meer mee, stel je voor!
Nu was Rex klaar, maar opstaan kon hij niet meer, hij bleef daar breed lachend zitten, leunend tegen de kribbe en hield mijn hand vast. Tevreden, hij hoefde nu niets meer, zei hij, het was hem allemaal goed.
"Maar Rex moet naar de afdeling terug", zeiden de verpleegsters die er in groten getale waren, "wij nemen je wel mee, hoor lieverd!"
Maar in zijn rolstoel wilde Rex niet, als hij ging, dan moest het zijn op de rug van de os, want dat diertje heeft zo'n lieve kop!
In alle drukte en blij geroep zei ik tegen de man, de dierenvriend op blote voeten: "Mijnheer, wilt u dit kind op zijn osje naar de lift van zijn afdeling brengen?"
Hij lachte over heel zijn gezicht. "Sofie! Maar natuurlijk, en sorry van daarnet, ik meende het echt niet kwaad!"
"Nee, natuurlijk niet", zei ik, "ga nu maar, en pas op dat Rex niet valt!"
Daar zat Rex kan, recht koninklijk op de os van de kerststal, en wat deed hij? Hij gaf met zijn voet zijn rolstoel een zet, zodat die bijna de fontein in reed. "Die gebruik ik niet meer", riep hij, "en weg ook met de kussens! Leg die maar in de kribbe, want het stro prikt die baby, ik heb hem horen niezen!"
Iedereen lachte en iedereen liep mee, tot aan de lift die naar zijn afdeling ging. Daar heb ik hem gekust en afscheid genomen. Het kostte mij moeite mijn hand uit de zijne los te maken.
* * *
Even later stond ik in de kiosk, die koepel van glas waar ik mijn eigen kerststal had gelaten. Het was klaar. Wat had moeten gebeuren was gebeurd. Ik wreef met beide handen over mijn gezicht, keek in de spiegelruit en poederde mijn gezicht.
De stilte hier was na al die drukte onwezenlijk.
Ik zou de glazen wand opzij schuiven om het stalletje eruit te halen, maar ik zag in het glas dat iemand achter mij stond. Het was de vrouw met de sjaal, haar hoofd reikte bijna tot aan de koepel en ving het licht uit de hal.
"Sofie", zei ze, "ik wil je bedanken. Dit was voor mij de meest bijzondere middag van het hele jaar, en ik kwam maar toevallig aanlopen. En ik denk, niet voor mij alleen".
"Dank u, mevrouw", zei ik, "heel vriendelijk, maar nu moet ik gaan!"
"Wacht even, ik wil je wat vragen. Je bent niet in dienst van het bureau Cultuur, deze rondleiding heb je op eigen initiatief gedaan!"
"Ja mevrouw, ik moest wel, maar hoe weet u dat?"
"Zeg geen mevrouw, ik heet Lucretia. Je zei bij de laatste kerststal dat die door een liefhebber is gemaakt. Als je hier werkte, had je geweten dat het onze Technische Dienst is!"
"Lucretia, dat is een prachtige naam. Echt katholiek!"
"Dat klopt, ik heb dan ook deze tentoonstelling van kerststalletjes georganiseerd!"
"Lucretia, sorry, maar ik moet nu echt gaan, mijn moeder ligt hier".
"Ik zie daar nog een kerststal staan, zomaar tussen de medische apparaten, is die van jou?"
"Ja, mevrouw, ik heb hem gevonden, hij is voor mijn moeder. Maar toen de mensen mij ermee zagen, dachten ze dat ik de gids was".
"Wees het dan nog één keer, wees jij mijn gids - Sofie, wat zeg je bij dit stalletje? Kom, je was steeds zo ad rem en welbespraakt, weet je nu niets meer?"
"Oh jawel hoor, Lucretia", zei ik, "wat u hier ziet, mevrouw, is een stalletje, zomaar bij de vuilnisbak weggepakt, opgeknapt en weer in gebruik genomen. Want het werk van de Heer blijft altijd glorieus, ook al ligt het soms bij het oud vuil".
"Je hebt de baan", zei Lucretia.
"De baan? Wat bedoelt u?"
"Ik stel je aan per heden als gids voor alle exposities die het Bureau Culturele Zaken uitschrijft. De uren mag je zelf bepalen, want je bent zeker nog student. Kom morgen de papieren maar tekenen, dan kan je meteen beginnen, want het wordt druk met de Kerst en met Oud en Nieuw!"
Daar stond ik met mijn kerststal, ik was helemaal beduusd. Ik had een geweldige middag gehad, en ik had een baan! En dat terwijl ik de dag met dit stalletje tegen wil en dank was begonnen!
Ik zag bestuurder Herman met zijn elektrisch wagentje, die mij enkele uren eerder had rondgereden.
"Ha, die Herman, kan ik weer een lift van u krijgen?" vroeg ik.
Juist was ik bezig mijn kerststal op de achterbank te zetten, toen een stem achter mij zei: "Sofie, mag ik je bedanken voor de fijnste dag van mijn leven?"
Het was mijn verborgen vriend.
"Dat mag", zei ik, "maar de rondleiding is gedaan.".
"Iedereen mag meerijden op deze wagentjes", zei hij, "ik rijd met je mee, dat hoef ik eigenlijk niet te vragen".
Hij nam de kerststal op schoot, en zo reden wij naar de afdeling waar mijn moeder lag.
Onderweg zei Herman de bestuurder: "Juffrouw, ik heb nog eens gedacht over wat u eerder op de dag over kerststalletjes zei. Ik ben het met u eens, het is allemaal romantiek en uit de tijd".
"Het is net, hoe u het bekijkt", zei ik.
"Ja,", zei hij, "als ze je betalen, moet je op je woorden passen. Je hebt ons een drukke middag gegeven, steeds moesten wij mensen vervoeren naar de expositie, waar u bezig was!"
*
Het is met Rexje heel wonderlijk gegaan, ik hoorde dat meteen toen ik kwam werken. Het was hetzelfde kind niet meer. In plaats van ziek en bleek in de kussens te leunen, zat hij parmantig rechtop, en hij had het, volgens de verpleging, steeds over mij. Sofie zei dit, en Sofie zei dat. "Ik was eerst bezig dood te gaan", zei hij, "maar toen kwam Sofie, en het mocht niet van haar. Zij heeft mij teruggeroepen!"
Dat zei hij tegen iedereen, het Wonderkind noemden ze hem op de afdeling. En kerstkind.
De hele rondleiding kende dat kind uit zijn hoofd, en toen hij merkte dat ik in het ziekenhuis was, heeft hij een hele middag met zijn zusje naar mij gezocht. De dokters stonden voor een raadsel, zo snel hij herstelde.
En de technische dienst kreeg een dikke pluim voor hun kerststal, tot hun stomme verbazing.
Er was nog iemand die een hele middag naar mij heeft gezocht, maar diens naam noem ik liever even niet, vanwege mijn moeder. Hij heeft nu al drie rondleidingen van mij meegemaakt, en hij krijgt er maar geen genoeg van. "Waarvan?" vraagt mijn vriendin.
En mijn moeder wilde het stalletje niet bij haar bed hebben, net als ik al dacht.
"Het Ware moet binnen in je hart zitten, Sofie!" zei ze, "dit is allemaal buitenkant".
"Maar moeder", zeg ik, "het kan met een kerststal erbij toch ook van binnen zitten, zo gaat het dubbel op, en ik dacht: dat heeft u nu echt wel nodig!"
"Neem maar weer mee, kind", zei mijn moeder, "al die drukte leidt mijn aandacht af van wat werkelijk nodig is!"
"Moet je begrip voor hebben!" zegt mijn vriendin.
Ik schenk het stalletje aan de expositie. Ze zijn er nog blij mee, ook. Ze hebben van de Technische Dienst (want die zijn onuitputtelijk) een afvalbak op een spaanplaat met zaagsel gelegd, en daar steekt mijn stalletje uit. Beschenen door een looplamp die binnen op de bodem ligt.
Ik ben met mijn vriendin gaan kijken, je weet wel, dat is zij die Letitia heet..
"Ik denk dat ik bij nader inzien toch in wonderen geloof", zegt ze tegen mij.
Dit is dan mijn verhaal van een Kerst met stalletjes tegen wil en dank.
Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland
Franstalige versie: protestanet.be