Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 38 van het kerkelijk jaar
Johannes 1,1-9 5,33-36 8,12-16 • Jesaja 60,1-5 & 14-20 •
Mensen zijn eigenlijk dagdieren. Zij zijn gemaakt om te functioneren in het licht. Zij zijn helemaal niet aangepast aan het leven ‘s nachts. Een mens voelt zich dan ook bedreigd en angstig in de duisternis. Gelukkig heeft God als eerste scheppingsdaad het licht gemaakt, en er achteraf de mens in geplaatst. Hij heeft zijn meest geliefde schepsel bevrijd uit de duisternis. In deze lichtmozaïek willen wij hulde brengen aan de schepper van dat licht. Wij verzamelen allerlei kleurige lichtende steentjes en proberen die te schikken in een groter geheel.
Licht in de koran. Wij beginnen bij de islam en gaan vandaar achteruit in de geschiedenis. Het is zinvol de islam in deze mozaïek mee te betrekken. Door de immigratie wordt deze godsdienst een dagelijkse realiteit in West-Europa, en men moet er alles aan doen om nieuwe vreedzame relaties met deze religie te ontwikkelen. Men mag hierbij vooral niet vergeten dat de islam thuis hoort bij de monotheïstische godsdiensten, en echt verwant is met het jodendom en het christendom.
Sura of hoofdstuk 24 van de koran is getiteld: het licht. Het beroemde lichtvers, nr. 35, luidt als volgt. Allah is het licht der hemelen en der aarde. Zijn licht is als een nis waarin zich een lamp bevindt. De lamp is in een glas; het glas is als een schitterende ster. (Deze lamp) is ontstoken aan een gezegende boom, een olijfboom, die noch oosters, noch westers is, en waarvan de olie bijna licht geeft, zonder dat het vuur haar aanraakt. Licht op licht. Allah leidt tot zijn licht wie hij wil. Allah biedt de mensen gelijkenissen aan. Allah weet alle dingen. De volgende verzen gaan over de moskeeën en men moet ongetwijfeld vers 35 daarmee verbinden.
Wat zegt ons koranvers dan eigenlijk? Allah of God, is het licht van het heelal. Dit licht kan uitgebeeld worden als een nis van een gebouw, waarin een lamp brandt, als een schitterende ster. Men moet hierbij ongetwijfeld denken aan de nis (Arabisch mihrab) in de moskee, die de richting van Mekka aangeeft. Bij het gebed moet men zich daarnaar richten. De mihrab lamp is in de islam tot de religieuze lichtdrager bij uitstek geworden. Men bidt gekeerd naar de lamp, naar Mekka met de Kaäba, naar Allah als het kosmisch licht. Bij de vraag waar de olie en het vuur van de lamp vandaan komen, verwijst men naar een mysterieuze olijfboom. Om welke boom gaat het? Waarschijnlijk om degene die in sura 23,20 genoemd wordt. Hij staat op de berg Sinai. Kennelijk denkt Mohammed hier aan het brandende braambos van Mozes, en verwart het met een olijfboom (28,29v). De Sinai wordt bovendien beschouwd als het centrum der aarde, vermits men met oosten noch westen te doen heeft. Dit betekent dat het licht van Allah aan de mensen werd bekendgemaakt via het vuur van de doornstruik van de Sinai. Heden nog tonen de monniken in het Sint-Catharina klooster aan de Sinai een struik die van het beroemde exemplaar zou afstammen. Tenslotte is Allah in ons vers het één en al, dat alles leidt en weet. Het indrukwekkende monotheïsme van de islam komt hier mooi aan zijn trekken, door het licht van Allah, de lamp van de bidnis, en de historische band met de brandende struik van Mozes. De islam is zich bewust van zijn band met het jodendom, en ook met het christendom.
Men kan in de koran bovendien nog de volgende gedachten vinden die met licht te maken hebben. Allah is licht, en hij zal dat licht volledig doen doorbreken, ondanks de tegenstand; hij heeft zijn profeet gezonden met de ware godsdienst ( 61,8v). Men dient te geloven in Allah, en in zijn profeet, en in het licht dat Allah heeft neergezonden (64,8). De profeet (Mohammed) is gezonden als een schitterende lamp (33,45v). In sommige van deze verzen duikt een onmiskenbare spanning op met het jodendom en het christendom, maar elders worden de Thora en het evangelie (5,44 & 46), en ook de koran (voorbeeld 42,52), allemaal als licht aangeduid. Uiteindelijk draait heel de wereld op het licht van Allah.
Licht in het Nieuwe Testament. Het begrip licht wordt in het Nieuwe Testament vooral gebruikt in het Johannesevangelie. De drie opvallendste passages hebben wij gelezen. Aan het begin van het evangelie wordt gezegd dat het Woord bij God was. Dit Woord was leven en het licht der mensen. Johannes de Doper kwam als getuige van dat licht, maar dat licht was hijzelf niet. Dat licht was Jezus; het werd evenwel niet door de wereld aanvaard. Reeds in deze eerste verzen blijkt de polemiek tussen Johannes de Doper en Jezus. Het is duidelijk dat sommige groepen Johannes beschouwden als het gekomen licht! In hoofdstuk 5 wordt Johannes de Doper de brandende lamp genoemd. Hij getuigt echter van Jezus, juist zoals God zelf. Hoofdstuk 8 geeft dan het bekende Jezuswoord Ik ben het licht der wereld; wie mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben. Ook God getuigt daarvan. Typisch voor al deze gedeelten is dat Jezus het licht is, niet God. Enkel in 1Johannes 1,5v leest men, blijkbaar in een andere situatie, God is licht en in hem is in het geheel geen duisternis. De gelovigen dienen in dat licht wandelen.
In de synoptische evangeliën kan men Matteüs 25 aanstippen, de gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze maagden. De lampen moeten brandende gehouden worden tot de komst van de bruidegom. Aan het begin van de bergrede, in Matteüs 5,14, klinkt het gij zijt het licht der wereld. De lamp moet op de standaard geplaatst, wat betekent dat de gelovigen op een gelijkaardige manier hun goede werken moeten laten zien. Matteüs gebruikt de lichtsymboliek om de christenen op hun verantwoordelijkheid te wijzen, zowel wat het waken betreft, als wat de goede werken aangaat. Paulus doet iets gelijkaardig in Romeinen 13,12v wanneer hij het heeft over de wapenen des lichts van de christen. Tenslotte moet men in het Nieuwe Testament nog wijzen op Openbaring 21,23v waar er sprake is van het nieuwe Jeruzalem. De stad wordt verlicht door de heerlijkheid Gods, en haar lamp is het lam. Wij zullen onmiddellijk zien waar dit echt verrassende beeld vandaan komt.
Licht in de Hebreeuwse bijbel. Het is met name de profeet Jesaja die in de Heilige Schrift van Israël steeds weer spreekt over licht. Onze tweede lezing, uit het 60e hoofdstuk van zijn boek, staat daarbij helemaal centraal. De tekst handelt over het einde van de Babylonische ballingschap (587-538 v.Chr.) van het joodse volk. De tijd van de verschrikking is voorbij en God gaat naar Jeruzalem terugkeren. De heilige stad wordt aangesproken en de profeet belooft dat haar licht komt. Dit overweldigende licht is niets anders dan de heerlijkheid Gods. Overal op de wereld heerst duisternis, maar over Jeruzalem zal het licht van God opgaan. De tempeldienst zal er hersteld worden. Alle volkeren zullen door het licht aangetrokken worden en erop afkomen; zij zullen hun rijkdommen meebrengen. Ook zullen alle jonge joodse ballingen terugkeren. De redder van Jeruzalem is JHWH. Tegelijk stijgt het gedeelte echter boven het herbouwde Jeruzalem uit, en spreekt over een nog toekomende, volmaakte realiteit. Zwaarwegende woorden als vrede, gerechtigheid, heil en lof, wijzen daarop, evenals het feit dat zon en maan geen rol meer zullen spelen, omdat God zelf het eeuwige licht van de stad zal zijn. Het is op dit hoofdstuk, dat de Openbaring van Johannes teruggrijpt.
In andere verzen verbindt de profeet Jesaja het begrip licht met het woord of de wet van God. Het woord van God, dat van Jeruzalem uitgaat, zal het licht voor alle volkeren zijn (2,2-5). Dit doet denken aan Psalm 119,105 uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. De formulering van de psalm is evenwel gevaarlijk individualistisch. Verder zegt Jesaja dat de wet Gods, en het recht Gods, het licht der volken zullen zijn (51,4). Maar volgens de profeet is ook de Messias, of een dergelijke door God gezonden figuur, licht. De knecht des Heren is door God gesteld tot een verbond voor het volk en een licht der natiën (42,6v). De knecht brengt niet alleen Israël terug, maar is ook bestemd tot licht der volkeren, zodat het heil van God zal reiken tot het einde der aarde (49,6). Tenslotte zegt ook de profeet Zacharia iets wat op het vlak van het messianisme ligt. Zijn vijfde visioen, in hoofdstuk 4 van zijn boek, heeft het over een gouden kandelaar of standaard met zeven olielampen erop. Aan weerszijden van de kandelaar staat een olijfboom, die olie levert aan het oliereservoir van de lampen. Volgens de profeet stellen de zeven lampen de ogen van God voor; hij bekijkt de hele aarde. De twee olijfbomen zijn twee Messiaanse gestalten. Wellicht bedoelt men Jozua en Zerubbabel, die te maken hebben met de herbouw van de tempel van Jeruzalem.
Licht in de verschillende erediensten. Samenvattend kan men zeggen dat in de Hebreeuwse bijbel het begrip licht in verband wordt gebracht met God zelf en met zijn woonplaats Jeruzalem, verder met Gods woord of zijn wet, en eindelijk met Messiaanse figuren. Logisch houdt het allemaal verband met elkaar, maar God zelf blijft het kernbegrip. Dit geldt eigenlijk allemaal ook voor de koran. Enkel het Nieuwe Testament heeft als Messiaans geschrift het zwaartepunt bij de Messias en zijn gemeente gelegd, en niet meer bij God zelf. Na zo de verschillende Heilige Schriften bekeken te hebben, kan men verder vragen naar de betekenis van het gebruik van licht in de verschillende erediensten. Hoe worden lampen of kaarsen gebruikt in de islam, in het christendom en in het jodendom? En heeft dit een betekenis? Wij doen een greep uit de verschillende tradities. Voor de islam zagen wij dat het gebruik in de cultus reeds in de koran zelf staat opgetekend, de lamp van de mihrab symboliseert Allah’s licht.
Voor het westerse katholicisme kan men de volgende dingen aanstippen. Eerst zijn er in de kerk de twee kaarsen op het altaar, één aan ieder uiteinde. Of er een bijzondere betekenis achter zit valt te betwijfelen. Dan is er de grote paaskaars, die de verrezen Heer symboliseert. Ieder jaar wordt er een nieuwe paaskaars gewijd en aangestoken in de paasnacht. Zij wordt in de liturgie gebruikt van Pasen tot Hemelvaart. Als besluit ziet men in de kerk een olielamp, die steeds brandt, de zogenaamde godslamp. Zij stelt Gods permanente aanwezigheid voor. Zij wordt gedoofd op Witte Donderdag, en opnieuw ontstoken aan de paaskaars tijdens de paasnacht.
De oosterse orthodoxie kent eveneens de twee kaarsen op het altaar. Achter het altaar staat in hun kerken een soort zevenarmige kandelaar met olielampen. Het verband met de joodse tempel is hierbij duidelijk. Verder kent men het feest van het licht, dat gevierd wordt tijdens de paasnacht. In de totaal donkere kerk, daalt dan het vuur neer in het heilige graf van Jezus. Dit licht wordt vervolgens van kaars tot kaars doorgegeven aan alle aanwezigen in de kerk. Dit gebruik geldt vooral de Anastasis kerk te Jeruzalem, maar wordt in de gewone kerken ook gevierd. Tenslotte draagt de priester soms tijdens de liturgie in de ene hand een kandelaar met twee heel dunne kaarsen en in de andere hand een met drie. Het gaat hier om verwijzingen naar de twee naturen van Christus en naar de triniteit. Beide dogma’s zijn zeer geliefd in de oosterse kerken.
Voor wat het jodendom betreft, kan men de volgende dingen opmerken over het gebruik van licht. Merkwaardig is hier dat driemaal de plaats verandert. Eerst zijn er thuis op sabbat de sabbatslampen. Men moet daarvoor minstens twee olielampen of twee kaarsen gebruiken. De sabbat heeft iets van het dubbele van de gewone dagen, en het licht symboliseert de vreugde. Op vrijdagavond bij het intreden van de sabbat, worden de lampen aangestoken door de moeder van het gezin, met een speciaal gebed. Daarna volgt het sabbatsmaal. Het gebruik zou volgens sommigen door de Farizeeën zijn ingesteld tijdens de periode van de tweede tempel. Dan is er in de synagoge de ner tamid, of de immer brandende lamp. Het gaat om een olielamp die opgehangen is voor de ark met de Thora rollen. Het licht verwijst naar Gods blijvende aanwezigheid onder zijn volk. In de derde plaats was er in de tweede tempel - en in de tabernakel - de gouden zevenarmige kandelaar of menora. Deze luchter brandde enkel ‘s nachts volledig. Dag en nacht brandde (naast twee oostelijke olielampen) steeds de ner tamid, het eeuwige licht, dit wil zeggen de meest westelijke olielamp van de zo typische zevenarmige kandelaar (Exodus 27,20v Leviticus 24,2v).
Bron: Ds. G. Willems
Franstalige versie: protestanet.be