Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

48 - Rechters en rechtbanken.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 48 van het kerkelijk jaar.
Deuteronomium 16,18-17,13 • Ruth 4,1-12 •

Rechters en rechtbanken.Wanneer men tegenwoordig in de media een onbekend land kort wil voorstellen, dan heeft men het allereerst over het BNP, of bruto nationaal product, per inwoner. Hoe hoger dit ligt, des te welvarender is de gemiddelde burger van het land. Landen met een laag BNP per inwoner, worden als arm bestempeld, en zo eigenlijk als minderwaardig en onderontwikkeld beschouwd. In het omgekeerde geval bewondert men het land en stelt het tot voorbeeld voor de andere. Het is duidelijk dat men op deze wijze voornamelijk met economische criteria werkt om een samenleving te beoordelen. De materiële welstand heeft ongetwijfeld zijn belang, maar een beter criterium om een staat of cultuur te benaderen is zijn rechtspraak. Hoe rechtvaardiger de wetten, en hoe zuiverder hun toepassing, des te hoogstaander is het land. In Deuteronomium 4,8 zegt Mozes fier: Welk groot heidens volk heeft inzettingen en verordeningen zo rechtvaardig als heel deze Thora... De achilleshiel van iedere samenleving is eigenlijk zijn juridisch systeem. Een rechtsstaat wordt daarom beschouwd als een goede staat, en dat is hij zeker, maar ook dan moet men bezien of de rechtspraak er daadwerkelijk functioneert, want de vlag dekt niet steeds de lading. Waakzaamheid blijft geboden!
De eerste wettenverzameling waarover uitdrukkelijk gesproken wordt in de Hebreeuwse Schrift, is het mysterieuze boek dat in 622 voor onze jaartelling ontdekt wordt in de tempel te Jeruzalem (zie 2Koningen 22v). Het gebeurt allemaal onder koning Josia (640-609) in het zuiden, honderd jaar na de val van het noordelijke rijk. Het boek wordt de aanleiding voor de zogenaamde reformatie van Josia. Doorgaans is men het erover eens dat het gevonden wetboek niets anders is geweest dan de grondvorm van ons boek Deuteronomium. Het zou vooral gaan om de hoofdstukken 12-19, die inderdaad een verklaring kunnen geven voor de eigenlijke hervorming. Met gebruikmaking van oudere verzamelingen, zouden deze wetten opgesteld zijn onder koning Hizkia (716-687). Tijdens de regering van zijn andersgezinde opvolger, zouden zij verborgen zijn, om dan later onder Josia ontdekt te worden. Wij willen thans ingaan op de nog steeds actuele wetten, die wij als eerste lezing gelezen hebben.

Hoe organiseert men in het oude Israël de rechtspraak? Aan het begin van het boek Deuteronomium (1,9-18) staat een verhaal dat verschillende mooie parallellen heeft. Tijdens de woestijntocht wordt de taak voor Mozes te zwaar en hij stelt leiders aan over 1000, 100, 50 en 10, en opzieners. Verder rechters die geschillen moeten beslechten tussen hun broeders. Alleen wanneer een zaak te moeilijk wordt, moet zij voor Mozes zelf komen. Men zou kunnen zeggen dat deze getrapte organisatie als het ware doorwerkt in onze passage, aan de ene kant zijn er de plaatselijke rechtbanken voor de gewone zaken, en voor de moeilijke gevallen is er aan de andere kant de centrale rechtbank te Jeruzalem.
Globaal genomen gaat het over de plaatselijke rechtbanken in 16,18-17,7. De tekst stelt duidelijk dat in alle steden rechters en opzieners aangesteld moeten worden om recht te spreken. Wie zijn die rechters? Iedere joodse man? Waarschijnlijk vooral de oudsten van de stad, de familiehoofden van een zekere leeftijd, met veel levenservaring. De rechters in hoger beroep waren zeker professionele rechters, maar niet de lagere. Wat moet men verstaan onder de mysterieuze opzieners van de vertaling van het Bijbelgenootschap? Het gaat om ambtenaren belast met het bijhouden van protocollen en lijsten; het zijn dus officiële figuren die documenten moeten opstellen. De Willibrord vertaling spreekt over schrijvers. Rechters en schrijvers dienen te zorgen voor een rechtvaardige rechtspraak, het wordt steeds weer in alle toonaarden herhaald. Men mag niet partijdig zijn en niemand bevoordelen, niet de groten, maar ook niet de kleinen. Verder zal men geen geschenken aannemen, wat betekent zich niet laten omkopen. De profeet Amos (5,12) weet van rechters die zich door de rijken laten betalen ten nadele van de armen; een oude Egyptische tekst spreekt er ook over. De wijze Hammurapi van Babel (18e eeuw v.Chr.) zegt in zijn wetten (nummer 5) dat indien men achteraf tot de vaststelling komt dat een rechter door eigen schuld een fout heeft gemaakt in een zaak, hij 12x zelf de boete moet betalen die hij heeft opgelegd, en verder voor altijd uit zijn ambt ontzet wordt. Corruptie dient bestreden te worden.
Vervolgens gaat de tekst over tot het behandelen van het zwaarste misdrijf in Israël, dat van afgoderij. Als men scherp leest, dan gaat het eigenlijk om twee soorten afgodendienst. Aan de ene kant is er sprake van de zon, de maan en het heer des hemels (de sterren) iets wat typisch is voor het boek Deuteronomium (vergelijk 4,19). Men heeft hier te maken met de verering der hemellichamen, hetgeen getuigt van de invloed van de Assyrische godsdienst en cultuur in Juda voor de reformatie van Josia. Aan de andere kant is er ook sprake van opgerichte stenen en palen (bomen) naast het altaar, wat eerder verwijst naar de lokale Kanaänitische religie met Baäl en Astarte als goden van de vruchtbaarheid. Op deze soorten heidense verering staat de doodstraf door steniging. Stenigen is de enige vorm van doodstraf die Deuteronomium kent. Ook op andere vergrijpen staat deze straf, bijvoorbeeld bij de schending van het huwelijk van een ander, juist zoals dit gebeurt in de wetten van de andere volkeren uit het oude Oosten. Wat Deuteronomium hier echter voorschrijft over afgoderij, is totaal onbekend bij de volkeren. Voor zover wij thans weten zijn wetten betreffende een afval tot een andere godsdienst, buiten Israël onbekend. Het veranderen van godsdienst is elders blijkbaar een gewone mogelijkheid, waar niets verkeerd of strafbaar aan is. Ook voor ons nu, staat er uitdrukkelijk in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens dat men vrij is om van godsdienst te veranderen (artikel 18). Hoe komt het dan dat de Schrift hier anders over oordeelt? Hoe komt het dat Deuteronomium uiterst intolerant is in dit opzicht (zie vooral hoofdstuk 13)? Het boek zelf legt het niet allemaal uit, maar wij kunnen proberen te begrijpen.
De Kanaänitische vruchtbaarheidsreligie is een vanzelfsprekende en logische godsdienst. Wanneer die godsdienst zou uitsterven, dan zou men hem opnieuw kunnen uitvinden zonder enig probleem. De mens die om zich heen kijkt in de wereld beseft inderdaad dat hij voor zijn leven en zijn voortbestaan totaal afhankelijk is van de vruchtbaarheid van de natuur. De vruchten en de jonge dieren moeten hem tot voedsel dienen, en zijn eigen kinderen moeten de continuïteit van de menselijke soort garanderen. De godsdienst van Israël is een geheel ander iets. Deze godsdienst is niet vanzelfsprekend en kan niet zomaar uitgedacht worden. De hoeksteen van de religie van Israël bestaat uit de belijdenis dat JHWH Israël uit Egypte bevrijd heeft (zie de aanhef van de tien geboden). Dit betekent dat de hele dienst van die God berust op en verhaal, een getuigenis dat de belijders aan elkaar moeten doorgeven, hetzij mondeling hetzij schriftelijk. Als dit verhaal uitsterft, kan niemand het opnieuw uitvinden. Daar het allemaal berust op het getuigenis over een uniek gebeuren, is de godsdienst van Israël een uiterst kwetsbaar en broos geheel. Als men het verhaal niet beschermt en zuiver houdt, kan JHWH en zijn dienst voor altijd van de aardbodem verdwijnen. De doodstraf op afgoderij heeft nu juist tot doel deze broze godsdienst te beschermen. In de dagen van Josia is het plantje nog vrij jong en wordt het zwaar bedreigd door het veel sterkere heidendom. Eeuwen later, wanneer het jodendom ingang gevonden heeft, zowel met zijn schriftelijke als zijn mondelinge tradities, is er geen overlevingsgevaar meer, en wordt die doodstraf eigenlijk overbodig.
Verder komen in ons gedeelte nog andere voorschriften voor een goede werking van de rechtspraak voor. Eerst moet er een degelijk onderzoek naar de feiten komen. Ook in 13,15 wordt dit uitdrukkelijk vermeld. Allerlei synoniemen willen de nadruk leggen op de ernst van een dergelijk onderzoek naar het gebeurde. De mededeling van de misstap, of het horen zeggen, volstaan geenszins, zie 19,18v. Vervolgens heeft men het over de twee of drie getuigen (ook in 19,15). Indien er maar één enkele getuige is, dan kan er geen rechtszaak komen. Er moeten er minstens twee zijn. Deze twee getuigen regel is typisch voor het jodendom. Men wil op deze manier het vals getuigenis van een jaloers en wraaklustig mens tegen zijn naaste onmogelijk maken. Men probeert zo het persoonlijk ressentiment uit het recht te weren. Bij de andere volkeren van het oude Oosten treft men ook meerdere getuigen aan, maar soms slechts één enkele, en soms in het geheel géén. Hammurapi treedt zeer streng op tegen de valse getuige, vlak aan het begin van zijn wetten. De getuigen zijn zo belangrijk in Israël dat zij bij de steniging zelf moeten beginnen met het werpen (ook in 13,10). Deze regel is tevens een waarborg voor hun eerlijkheid, aangezien zij zelf de verantwoordelijkheid dragen voor de consequenties van hun beschuldiging. Daarna volgt het hele volk met stenigen. Israël kent blijkbaar geen beul, het hele mondige volk voert de straf uit. De plaats van al deze handelingen is de stadspoort, iets wat mooi uitkomt in onze lezing over Boaz en zijn leviraatshuwelijk met Ruth.

Het laatste stuk van ons gedeelte uit Deuteronomium handelt over de centrale rechtbank te Jeruzalem (17,8-13). Jeruzalem en meer bepaald de tempel waar alles om draait, worden natuurlijk niet met name genoemd, omdat het boek spreekt in de geest van Mozes. Het herhaaldelijk vermelden van de priesters maakt echter duidelijk dat men te doen heeft met de centralisatie van de cultus in de tempel van de hoofdstad, onder koning Josia. Deze centralisatie is het belangrijkste punt van zijn hele reformatie. De plaatselijke heiligdommen en hoogten worden opgeheven, ten voordele van Jeruzalem en zijn tempel. Zo zal de hele cultus beter gecontroleerd kunnen worden op zijn zuiver JHWH gehalte, en zal men de invloed van het Kanaänitisch heidendom in de lokale cultusplaatsen kunnen keren. Typisch is in dit opzicht dat de tekst niet spreekt over priesters in de steden, hun arbeidsterrein is voortaan Jeruzalem geworden. Veel eeuwen later zal dit alles leiden tot de oprichting van het grote sanhedrin te Jeruzalem.
Ondertussen zegt Deuteronomium dat wanneer een zaak te moeilijk is voor de plaatselijke rechtbank, men in hoger beroep naar de tempel moet gaan. Men staat er van te kijken, maar reeds voor de regering van koning Josafat (870-846) van Juda, wordt een dergelijke hervorming van de rechtspraak vermeld door 2Kronieken 19,4-11. Gaat het werkelijk om een historisch feit? Hoe dan ook, wat is nu - volgens ons gedeelte - de samenstelling van de hoge rechtbank in de tempel te Jeruzalem? Eerst en vooral zijn er de levitische priesters in het meervoud; een concreet aantal wordt niet genoemd. Het wisselt misschien naar gelang de ernst van de behandelde zaak. Vervolgens is er de rechter, in het enkelvoud. Misschien gaat het om een beroepsrechter die door de koning aangesteld wordt (zie 2Kronieken 19,11). De koning heeft wel geen grote macht in Deuteronomium, maar misschien was de werkelijkheid toch enigszins anders. Wanneer onze tekst het echter vooral heeft over priesters, in de tempel, dan betekent dit uiteindelijk dat God zelf oordeelt bij een proces in beroep. Men bevindt zich immers in het huis van God, en het gaat bovendien om zijn Thora. JHWH zelf is de hoogste rechter (Deuteronomium 1,17). In deze lijn moet men ook het strenge optreden verstaan tegen de overmoedige, die de beslissing van de hoogste rechtbank naast zich neerlegt. De verwaandheid en de arrogantie van die persoon is eigenlijk gericht tegen God zelf, wiens gezag hij niet erkent. Hij verwerpt zo Gods verbond met Israël. Het gaat dan ook in zekere zin om afgoderij. En op afgoderij staat de doodstraf.

Bron: Ds. G. Willems


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be