Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

47 - Vergeef ons onze schulden…

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 47 van het kerkelijk jaar.
Sirach 27,22-28,7 • Matteüs 18,21-35 •

Vergeef ons onze schulden...Wanneer men deze bede van het Onze Vader iets letterlijker uit het Grieks wil vertalen dan men het gewoonlijk doet, klinkt dit zo Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren. Bij een eerste lectuur is het verzoek eenvoudig en duidelijk. Toch is er iets zeer bijzonders aan. Het is de enige bede in het gebed des Heren die uit twee delen bestaat. En die twee delen zijn op een bepaalde manier met elkaar verbonden. Deze koppeling van de twee zinsdelen kan allerlei vragen oproepen. Wij willen het dan ook eerst hebben over ieder deel afzonderlijk, en dan over de verknoping van beide.

Eerst de bede in de eigenlijke zin van het woord, vergeef ons onze schulden, of het eerste deel van de tweeledige volzin. Wie is de mens die zoiets bidt? Hoe kan men die mens typeren? Voor de wereld van vandaag, en vooral voor de oppermachtige media die ons regeren, moet de gewone man opkijken naar de bekende figuren uit onze maatschappij. De personen die altijd weer in de media defileren, zijn de helden en de sterren die men moet vereren. Zij hebben het gemaakt, zij zijn bekend geworden. Zij zijn de vips! Zij worden anders behandeld dan de anderen. Want zij hebben door hun eigen kracht en door hun eigen inspanning het hoogste bereikt, de roem. Dit geldt voor alle gebieden van onze samenleving, de sport, de kunst, de techniek, de wetenschap, de handel, de politiek... De vips zijn dan ook fier en zelfvoldaan. Het gaat hen steeds weer om de autonome mens als winner.
Tot op zekere hoogte is deze mentaliteit niet verkeerd. Toch is in de Heilige Schriften de mens anders. Ook in onze bede staat een ander mens voor ons. Men zal deze mens moeten typeren als een schuldenaar voor God. Alleen wie schulden heeft kan daarvoor vergeving vragen. Iemand die weet heeft van zijn schulden en ze ook erkent. De bidder in het Onze Vader moet als het ware een geldsom aan God, maar heeft ze niet, hij kan niet betalen. Hij vraagt God om erbarmen, om kwijtschelding. Onze tweede lezing stelt het zo. Men kan het evenwel nog scherper stellen, de mens moet aan God daden, maar hij doet ze niet. Hij leeft niet zoals God dat van hem verlangt. De mens is schuldig voor God, de koning, de rechter. In de traditionele godsdienstige taal zal men spreken van de zonde, of de zondige mens. Zowel bisschop Cyprianus van Carthago voor het Westen, als bisschop Cyrillus van Jeruzalem voor het Oosten, verwijzen bij hun uitleg van onze bede naar het vers van 1Johannes1,8 Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. En Johannes vervolgt dat indien wij onze zonden belijden, God getrouw en rechtvaardig is om ons de zonden te vergeven, en ons te reinigen. Wanneer veel eeuwen later Luther in zijn Grote Catechismus onze bede toelicht, blijkt het dat ook hij als zondaar zichzelf mishaagt, en daardoor stempelt deze reformator het hele protestantisme in dezelfde zin.
De mens die weet van zijn tekortschieten tegenover God, zou kunnen ten onder gaan in zelfverwijt. Dit is echter helemaal niet de bedoeling van de Heilige Schriften. In zijn twijfel aan zichzelf en in zijn benauwdheid, wordt de mens niet aan zijn lot overgelaten. Hij kan bidden, en hij doet het. Hij keert zich tot God en zoekt daar hulp. God kan immers vergeven. In de joodse liturgie van de synagoge, kent men het gebed Avinu Malchenu (Hebreeuws onze Vader, onze Koning) dat vooral gebruikt wordt tijdens de tien boetedagen tussen nieuwjaar en de Grote Verzoendag. Het is een smeekgebed waarin men God om vergeving vraagt. Men bidt onder meer, ...Onze Vader, onze Koning, vergeef en verontschuldig al onze schulden. Onze Vader, onze Koning, delg en verwijder onze vergissingen van voor uw ogen. Onze Vader, onze Koning, wis naar uw grote barmhartigheid al onze schuldbrieven uit... De mens heeft Gods vergiffenis, Gods kwijtschelding nodig, iedere dag opnieuw.
Toch gaat het tevens om meer dan dat. In onze bede wordt de vergeving éénmaal gevraagd, vergeef ons, het is een eenmalig iets. Het gaat niet om de kwijtschelding van de schulden van de dag, iedere keer opnieuw. Neen, eigenlijk mikt de bede op het einde der tijden en daarmee op de unieke vergeving bij het laatste oordeel. Men vraagt om de definitieve vrijspraak bij de grote schifting, die aan de komst van het Koninkrijk van God voorafgaat. De gelijkenis die wij gelezen hebben maakt duidelijk dat men te maken heeft met de slotafrekening. De koning houdt het oordeel over zijn bedienden. In een eerste faze schenkt hij vergiffenis aan de smekende dienaar. De eindafrekening draagt dus de mogelijkheid in zich van een volledige vergeving. Met het naderen van het Koninkrijk van God komt ook de kans op totale vergeving nader. In de bede bidden wij reeds nu om die definitieve vergeving van de jongste dag. Dit is helemaal in overeenstemming met het ganse perspectief van het gebed des Heren, waarin de komst van het Koningschap van God zo een belangrijke rol speelt. Reeds nu willen wij de zekerheid van de vrijspraak. Wij weten dat wij niet kunnen betalen en aangewezen zijn op Gods genade. Van de gelijkenis, van het Onze Vader, en ook van het aangehaalde joodse gebed geldt steeds, God oordeelt als een koning, en vergeeft als een vader (vergelijk Wijsheid van Salomo 11,10).

Nu het tweede deel van de tweeledige volzin, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren. Dit tweede stuk is geen bede gericht tot God, het gaat veeleer om een beschrijving van het doen van de bidder. De daad van de persoon die bidt staat hier centraal. In het hele Onze Vader is de mens vragende, biddende; men heeft te maken met receptieve activiteit. Hier is echter een plaats waarin men te maken krijgt met actieve activiteit. Binnen het raam van het komende Rijk dient de mens te vergeven. Alles wordt daarop toegespitst. Het evangelie kent geen goedkope genade, zoals men dat soms bij mensen vindt die beweren dat God altijd wel vergeeft. Pardonner c’est son métier, zei Voltaire. Neen, in het evangelie wordt de mens ingeschakeld. Het wordt zeer scherp gesteld in onze gelijkenis. Men dient zijn schuldenaars, de mensen die verkeerd tegen u gehandeld hebben, te vergeven. En zo men het niet doet, zal de koning zijn aanvankelijk geschonken vergeving intrekken. Hij zal u overleveren aan de folteraars en gij zult alles moeten betalen (1).
Typisch voor onze tweeledige volzin is zijn parallelle structuur, waarin de eigenlijke bede verbonden wordt met de activiteit van de bidder. Deze verbinding, evenals de gedachte die er achter zit, is niet nieuw in het jodendom. Onze eerste lezing, uit het apocriefe Sirach, geeft daar een mooi voorbeeld van. Wij hoorden het, de wijze Jezus Sirach zegt, Vergeef uw naaste het onrecht, dan worden ook uw zonden op uw gebed vergeven... Kan hij die voor zijns gelijke geen erbarmen heeft, toch voor zijn eigen zonden bidden? De rabbijnen leren dat de Grote Verzoendag de zonden tussen de mens en God uitwist, maar niet die tussen mensen onderling. Voor deze laatsten geldt dit enkel wel, wanneer de mensen het zelf met elkaar in orde hebben gemaakt (Misjna Joma 8,9). Hier wordt weer de nadruk gelegd op de daad van de mens en zijn verantwoordelijkheid. Ook in het Nieuwe Testament kan men vergelijkbare verzen vinden, bijvoorbeeld in de bergrede onmiddellijk na het Onze Vader, indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven (Matteüs 6,14v vergelijk Marcus 11,25v).
Belangrijk is bij dit alles vooral de vraag naar het onderlinge verband der twee zinsdelen. Welk zinsdeel gaat aan het andere vooraf en bepaalt het? Bepaalt de menselijke daad Gods reactie, of is het omgekeerd Gods vergeving die de mens gaat bezielen? De rabbijnen kennen in hun discussies ook dergelijke problemen. De voltooide constructie, met het vergeven hebben, zou doen denken dat de menselijke daad onontbeerlijke voorwaarde is voor de vergeving van God. Maar kan een mens echt vergeven zoals het moet? Kan een mens daardoor iets bekomen of verdienen bij God? Indien men aan deze mogelijkheden twijfelt, kan een sterveling dan nooit zalig worden? De zaak ligt niet eenvoudig. Een goede uitleg bestaat erin dat men stelt, dat de menselijke daad van het vergeven aan de schuldenaar, de oprechtheid van de bidder bij zijn gebed moet onderlijnen. Maar meer dan dat is het niet. Het kan niet bestaan dat het menselijk handelen, Gods vergeving zou bepalen op een rechtlijnige en automatische manier. De mens die zelf vergeeft, en om vergeving vraagt, formuleert enkel een oprechte bede, en een dergelijk gebed wordt beter gehoord. In zijn Commentaar op Matteüs formuleert Calvijn het ook mooi. Christus vermaant ons te vergeven, zegt hij, en onze daad bevestigt het vertrouwen op onze eigen vrijspraak, zoals een zegel op een document.
Ten diepste gaat het erom dat wij de vergeving aan God vragen en van hem ontvangen moeten. Pas de kwijtschelding die wijzelf van God ervaren, kunnen wij doorgeven. In de gelijkenis is het dan ook de koning (God) die kwijtscheldt, en dat voorbeeld moeten de onderdanen volgen. De gelovige zal God gelijkvormig worden. De vergeving stroomt van bij God de wereld in, onder meer via de gelovige mens.

Overal in het Onze Vader wordt er gesproken in de eerste persoon meervoud, namelijk wij en ons. Dit betekent dat het niet een individu is dat bidt, maar een groep mensen, een gemeenschap. Het gaat om de groep der volgelingen van Jezus, of de gemeenschap der gelovigen, de gemeente, de kerk. Steeds weer in de Schriften is de collectiviteit meer dan de enkeling. Welnu, de gemeente of de kerk heeft een middelaarsfunctie in de wereld. De opdracht bestaat erin Gods vergeving, zijn verzoening, door te geven. De kerk heeft dit zeker niet altijd gedaan, denken wij maar aan alle mogelijke godsdienstoorlogen. Toch blijft het ondanks deze weinig fraaie bladzijden van de kerkgeschiedenis, haar opdracht. Zij moet het kunnen zeggen in haar gebed, zoals ook wij vergeven hebben. Alle soorten menselijke relaties in onze maatschappij, kortom de wereld in al haar geledingen, heeft dit nodig. Vergeving schenken is immers in wezen reeds nu iets zichtbaar maken van het Koninkrijk van God.
Men zou het op een korte formule kunnen brengen. Het volk van Jezus Christus heeft een dubbele taak in de wereld: ora et labora, bid en werk. Dat volk bidt om de uiteindelijke kwijtschelding van zijn schulden bij het laatste oordeel, en vergeeft in die hoopvolle verwachting ondertussen reeds aan al zijn schuldenaren.

Bron: Ds. G. Willems


Voetnoot

(1) Wat betreft het vergeven aan de naaste is er een belangrijk aspect waarop wij hier niet nader ingaan. De gelijkenis, samen met andere bijbelteksten (vooral Lucas 17,3v), maakt duidelijk dat men enkel kan vergeven, wanneer de schuldenaar zelf om vergeving vraagt. Beide partijen, beide kanten, dienen iets te doen om tot echte vergeving te komen.


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be