Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Of Gods geboden zwaar zijn
Exodus 19 & 20: Wet op Sinaï
Exodus 19
1 In de derde maand, op precies dezelfde dag dat ze uit Egypte waren weggetrokken, kwamen de Israëlieten in de Sinaiwoestijn. 2 Ze waren vanuit Refidim verder getrokken en in de Sinaiwoestijn gekomen. Daar sloegen de Israëlieten hun kamp op, vlak bij de berg. 3 Mozes ging de berg op, naar God. De HEER riep hem vanaf de berg toe: ‘Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Israël weten: 4 "Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. 5 Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken - want de hele aarde behoort mij toe. 6 Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk." Breng deze woorden aan de Israëlieten over.' 7 Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat de HEER hem had opgedragen. 8 En het hele volk antwoordde als uit één mond: ‘We zullen alles doen wat de HEER heeft gezegd.' Mozes bracht het antwoord van het volk aan de HEER over, 9 waarop de HEER tegen hem zei: ‘Ik kom naar je toe in een donkere wolk, dan kan iedereen het horen wanneer ik met je spreek en zullen ze voor altijd vertrouwen in je hebben.' Toen Mozes de HEER vertelde wat het volk had geantwoord, 10 zei de HEER hem ook: ‘Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. 11 Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de HEER voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinai. 12 Geef aan tot waar het volk mag komen, en waarschuw hen dat ze de berg niet op gaan; zelfs de voet daarvan mogen ze niet betreden. Wie zich op de berg waagt, moet ter dood gebracht worden. 13 Zo iemand mag met geen vinger aangeraakt worden; hij moet worden gestenigd of met pijlen doorboord. Of het nu mensen of dieren betreft, ze mogen niet in leven blijven. Pas als het geluid van een ramshoorn weerklinkt, mogen ze de berg op gaan.' 14 Weer ging Mozes naar beneden, naar het volk. Hij droeg hun op zich te heiligen en hun kleren te wassen. 15 ‘Zorg ervoor dat u overmorgen gereed bent,' zei hij, ‘en dat u in de tussentijd geen gemeenschap hebt met een vrouw.'
16 Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde. 17 Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan. 18 De Sinai was volledig in rook gehuld, want de HEER was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. 19 Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid. 20 De HEER was op de top van de Sinai neergedaald. Hij vroeg Mozes naar hem toe te komen, en Mozes ging naar boven. 21 De HEER zei tegen Mozes: ‘Ga naar beneden en waarschuw het volk dat ze niet te dichtbij komen in de hoop de HEER te zien, want dan zullen velen van hen het leven verliezen. 22 Ook de priesters, die gewoonlijk wel in de nabijheid van de HEER mogen komen, moeten op eerbiedige afstand blijven, anders zal de toorn van de HEER tegen hen losbarsten.' 23 Mozes antwoordde de HEER: ‘Het volk kan de Sinai niet op gaan. U hebt ons immers zelf bevolen de berg af te grenzen en als heilig te beschouwen.' 24 De HEER zei: ‘Ga naar beneden, en kom samen met Aäron weer terug. Maar de priesters en het volk mogen niet dichterbij komen, zij mogen de berg niet op gaan, anders zal mijn toorn tegen hen losbarsten.' 25 Mozes ging terug naar het volk en bracht hun dit over.
Exodus 20
1 Toen sprak God deze woorden:
2 ‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.
3 Vereer naast mij geen andere goden.
4 Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 5 Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 6 maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
7 Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan.
8 Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. 9 Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, 10 maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. 11 Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard.
12 Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.
13 Pleeg geen moord.
14 Pleeg geen overspel.
15 Steel niet.
16 Leg over een ander geen vals getuigenis af.
17 Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.'
18 Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. 19 Ze zeiden tegen Mozes: ‘Spreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.' 20 Maar Mozes antwoordde: ‘Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.' 21 En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was.
22 De HEER droeg Mozes op het volgende tegen de Israëlieten te zeggen: ‘Jullie zijn er getuige van geweest dat ik vanuit de hemel tot jullie heb gesproken. 23 Je mag daarom geen goden van zilver of goud maken om die naast mij te vereren. 24 Maak voor mij een altaar van aarde, en slacht daarop je schapen, geiten en runderen voor de brandoffers en vredeoffers. Op elke plaats waar ik mijn naam wil laten noemen, zal ik naar jullie toe komen en je zegenen. 25 Als je voor mij een stenen altaar wilt bouwen, gebruik dan geen gehouwen stenen, want door de stenen met een beitel te bewerken ontwijd je ze. 26 En breng geen treden aan, want als je daarlangs omhoog zou gaan, zou men je geslachtsdelen zien.'
Ds. Geurs, hij stond in Gent, hij zit nu in Friesland, las eens de tien geboden voor in een dienst. Die geboden vonden de mensen behoorlijk streng, zo van : je mag dit niet en dat niet, en dit moet beslist wel - als je tenminste lang wilt leven. Nee, dat vonden ze helemaal niet vriendelijk klinken. En God is toch liefde, zeiden ze.
Dat merkte ds. Geurs natuurlijk wel. Hij wilde toen laten zien dat Gods geboden eigenlijk best wel fijn zijn, en helemaal niet zo moeilijk om te houden als je denkt. En dat komt omdat God je erbij helpt, zei hij. Hij vertelde toen dit verhaal:
Twee Joodse mensen waren op reis. De een woonde in Israël, de ander, zijn vriend dus, kwam uit Antwerpen. Allebei waren ze diamantairs. Samen maakten ze een reisje door Israël, en zo kwamen ze met de bus in de steppe van de Sinai. Laten we uitstappen, zei de man die daar woonde, dan zal ik je de berg Sinaï laten zien. Ja graag, zei zijn vriend. De Sinaï! Dat is immers de berg waarop Mozes de Tien Geboden heeft gekregen, die wil ik graag zien!
Ze stapten dus uit en ze gingen samen lopen. Onderweg praatten ze over de geboden. De vriend vond die best moeilijk. Als zakenman kan ik je vertellen dat het in Antwerpen niet meevalt om een eerlijk mens te zijn, en dan toch nog je geld te verdienen, zei hij. Ja, zei zijn gastheer, daar heb je wel gelijk in, ook in Israël valt dat niet mee. Maar de Heer, gezegend zij Hij, zegent iedereen die eerlijk is. Moeilijk, moeilijk, zei zijn vriend. Op een zegen moet je vaak heel erg lang wachten! En de huur moet betaald worden, elke maand weer, en het loon van de winkeljuffrouw...
Toen zei zijn gastheer: als je de klanten bedriegt, merken ze het, vroeg of laat, en dan klagen ze je aan, en dan sta je voor de rechter. Is dat dan leuk? Nee, vond zijn vriend, hij kon wel leukere dingen bedenken. Je moet leren wachten op God, zei zijn gastheer, dat is het best.
Ze liepen een poosje, toen zei de gastheer opeens: kijk, daar heb je de Sinaï! Wat, waar? vroeg zijn vriend uit Antwerpen. Daar, kijk dan! Dat molshoopje? Dat is toch de Sinaï niet? Die is toch veel, veel hoger? Vergis jij je niet? Nee hoor, zei zijn gastheer, dat is hem echt!
Waarom heeft God, zijn naam zij gezegend, die berg niet hoger gemaakt, vroeg de Antwerpenaar.
Toen zei zijn gastheer: dat komt omdat God wist dat Mozes een oude man was. En dat hij anders nooit boven op de berg had kunnen komen om de Tien Geboden te ontvangen!
Goh, ja, zeiden de kinderen in de kerk, en dan had hij ze ook nog op twee tafels van steen!
Daarmee moest hij naar beneden. Dat was eventjes zwaar!
| Zo is het, zei de dominee. Je ziet dus dat God ons tegemoet komt. |
Dat doen vaders altijd! zei een meisje dat het lievelingetje was van haar vader. En een jongetje dat nog klein was, zei: toen ik fietste, waaide het hard. Toen is mijn vader mij een stuk tegemoet gekomen. Hij heeft me naar huis geduwd. Oef! Anders had ik, geloof ik, nog steeds gefietst...
Ze zongen toen: ga niet alleen door het leven, die last is u te zwaar.
En onder het naspel van het orgel zijn de kinderen naar hun eigen dienst gegaan.
Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland
Franstalige versie: protestanet.be